Ex-durante evaluatie Wet ruimtelijke ordening: tweede rapportage
Nieuwe instrumenten zorgen voor juridische onzekerheid omdat ze afwijken van de bestaande praktijk. De makers van de nieuwe Omgevingswet doen er daarom goed aan om waar mogelijk aan te sluiten bij bestaande werkpraktijken en terughoudend te zijn met juridische noviteiten. Dat is één van de conclusies uit een tweede evaluatie van de Wet ruimtelijke ordening die in 2008 in werking trad.
Links
Bekend maakt bemind
Het bestemmingsplan is nog altijd het dominante juridisch-planologisch kader voor het reguleren van het grondgebruik en het juridisch mogelijk maken van ruimtelijke ontwikkelingen. De komst van de Crisis- en herstelwet en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht heeft daar geen verandering in gebracht.Naast een aantal duidelijk aanwijsbare voordelen - waarbij flexibiliteit het belangrijkste is - speelt ook de jarenlange ervaring met het bestemmingsplan een rol bij de voorkeur van gemeenten voor het bestemmingsplan boven de omgevingsvergunning, het projectuitvoeringsbesluit en de beheersverordening. Nieuwe planvormen moeten zich wat betreft effectiviteit en juridische houdbaarheid nog bewijzen.
Besluitvorming versneld; meer en langer beroep
De formele procedures tot aan vaststelling van planologische besluiten zijn versneld door de Wro. De beroepsfase, daarentegen, duurt langer. Het totale aantal beroepszaken is enorm toegenomen. Oorzaak hiervan is waarschijnlijk dat Gedeputeerde Staten niet meer in een eerder stadium de planologische besluiten goedkeuren; die goedkeuring is weggevallen, waardoor na vaststelling door de gemeenteraad meteen de beroepsfase aanbreekt. De toename heeft geleid tot een werklastverzwaring bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waardoor ook de gemiddelde behandelingsduur van beroepszaken is toegenomen. Gemiddeld genomen is de invloed van de Crisis- en herstelwet op de planologische praktijk vooralsnog beperkt. Nieuwe instrumenten uit die wet worden weinig gebruikt.
Exploitatieplan uit Wro nog weinig gebruikt
Met het exploitatieplan uit de Wro kan een gemeente een ontwikkelaar dwingen mee te betalen aan de publieke ontwikkelingskosten van een gebied. Het exploitatieplan wordt (nog altijd) weinig gebruikt. Gemeenten proberen het gebruik ervan te voorkomen, met name omdat het als ingewikkeld en juridisch risicovol wordt gezien. Ze geven de voorkeur aan privaatrechtelijk (minnelijk) kostenverhaal. Recente uitspraken door de Afdeling bestuursrechtspraak over onafhankelijke taxaties van inbrengwaarden en de relatie tussen het bestemmingsplan en het exploitatieplan, maken het gebruik van laatstgenoemde (nog) onaantrekkelijker. Voor de functie van stok achter de deur is een krachtig publiekrechtelijk instrument van belang.
Provinciaal inpassingsplan raakt ingeburgerd
Sinds de Wro is het voor Rijk en provincies mogelijk een bestemmingsplan vast te stellen: het zogenoemde inpassingsplan. Het provinciale inpassingsplan raakt inmiddels ingeburgerd, zelfs bij provincies waar hierop tot voor kort een taboe rustte. Vrijwel alle provincies hebben tot nu toe ten minste één inpassingsplan vastgesteld. Het wordt vooral gebruikt voor gemeentegrensoverschrijdende ontwikkelingen, zoals provinciale wegen en groene structuren. Dit zijn duidelijke voorbeelden van ‘provinciaal wat moet’.
Omgevingswet moet aansluiten op werkpraktijk
Met het traject Eenvoudig Beter werkt het ministerie van Infrastructuur en Milieu aan een nieuwe Omgevingswet, waar onder andere de Wet ruimtelijke ordening, de Crisis- en herstelwet en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht waarschijnlijk in zullen opgaan. Daarbij is het van belang te laveren tussen een fundamentele herziening en opschoning van het recht enerzijds en gehoor geven aan de behoefte (met name bij gemeenten) aan institutionele rust en stabiliteit anderzijds. Waar mogelijk zou de nieuwe Omgevingswet moeten aansluiten bij wat werkt op lokaal niveau en op bestaande werkpraktijken. Zo kan de voorkeur die gemeenten hebben voor het bestemmingsplan worden meegenomen bij de gedachtevorming over de omgevingsverordening ter vervanging van het huidige bestemmingsplan.
Gebiedsontwikkelplan mogelijk interessant voor Omgevingswet
Tot slot is het gebiedsontwikkelingsplan uit de Crisis- en herstelwet mogelijk een interessant instrument voor de nieuwe Omgevingswet. Ook hiermee wordt geprobeerd om enerzijds aan te sluiten bij de bestemmingsplanpraktijk en anderzijds een oplossing te vormen voor het probleem van de soms knellende milieugebruiksruimte en het gebrek aan lokale afwegingsruimte. Dit instrument past goed bij de wens van met name gemeenten om ruimtelijke ontwikkelingen te faseren; daarvoor schieten de omgevingsvergunning (Wabo) en het projectuitvoeringsbesluit (uit de Chw) juist tekort.
| Bibliografie | |
|---|---|
| Auteur(s) | Edwin Buitelaar |
| Publicatiedatum | 17-02-2012 |
| Taal | Nederlands |
Reken je niet te snel rijk wanneer je een ontwerp bestemmingsplan van B&W ‘krijgt'!
Een artikel van Max Seelen van Patres.
Stel, B&W maken met jou afspraken over nieuwbouw van een aantal woningen. Hiervoor wordt een ontwerp bestemmingsplan in elkaar geknutseld en vervolgens wordt het plan voorgelegd aan de gemeenteraad.
Alleen de raad ziet het plan helemaal niet zitten en besluit het bestemmingsplan niet vast te stellen. Niemand kan jou dan kwalijk nemen dat je je dan beroept op het vertrouwensbeginsel.
Je vertrouwen is geschaad. Allemaal heel begrijpelijk, maar je koopt hier als initiatiefnemer niks voor. De raad is bevoegd bestemmingsplannen vast te stellen. Niet B&W. Simpel toch?
De raad is daarom ook niet gebonden aan afspraken die jij met B&W hebt gemaakt. Jouw beroep op het vertrouwensbeginsel is dus kansloos.
Dit laat onverlet dat de raad zijn besluit moet motiveren en een gedegen belangenafweging moet maken. Hierbij zullen de afwegingen en de toezeggingen van het college natuurlijk ook de revue moeten passeren.
In deze zaak deed de raad dus wat B&W (als ‘voorbereider’ van een bestemmingsplan) had moeten doen. De beoogde ontwikkeling bleek namelijk niet te passen in gemeentelijk en provinciaal beleid. Ook verhield zich de gewenste ontwikkeling niet goed met een nabijgelegen bedrijventerrein.
Bron: ABRvS 15 februari 2012, 201109207/1/R2
Wanneer mag het bestuursorgaan afzien van het horen van de belanghebbende?
Een artikel van Yordi Sofnner van Wieringa Advocaten.
Reeds eerder schreven wij over de hoorplicht in het bestuursrecht. Als het gaat om de behandeling van een bezwaarschrift dient het bestuursorgaan, voordat het op het bezwaar beslist, de belanghebbenden in de gelegenheid te stellen te worden gehoord, aldus artikel 7:2 Awb.
Deze hoorplicht behelst geen absolute plicht voor het bestuurorgaan. Uitzonderingen op de hoorplicht zijn neergelegd in artikel 7:3 Awb. Zo kan van het horen van belanghebbenden worden afgezien indien het bezwaar kennelijk (dus evident) niet-ontvankelijk is, het bezwaar kennelijk ongegrond is of wanneer volledig aan het bezwaar wordt tegemoet gekomen en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen worden geschaad. Daarnaast kan van het horen worden afgezien indien de belanghebbenden hebben verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord (artikel 7:3 onder c Awb).
In de praktijk blijkt over deze laatste uitzondering regelmatig discussie te ontstaan tussen het bestuursorgaan en de belanghebbende, waarbij de vraag centraal staat of het bestuursorgaan mocht aannemen dat de belanghebbende geen gebruik wenste te maken van het recht te worden gehoord. Zo ook in de uitspraak van de rechtbank Amsterdam d.d. 23 december 2012
In deze uitspraak had de Belastingdienst bij besluit het voorschot kinderopvangtoeslag beperkt tot een bedrag van EUR 0, -. In het beroep bij de rechtbank tegen het besluit heeft eiser zich (onder meer) op het standpunt gesteld dat de Belastingdienst hem ten onrechte niet de gelegenheid heeft geboden te worden gehoord over het bestreden besluit. Eiser stelt, met verwijzing naar artikel 7:2 Awb, dat hem hiermee de mogelijkheid is ontnomen zijn bezwaren tijdens een hoorzitting mondeling kenbaar te maken.
Volgens de Belastingdienst deed zich hier echter de hiervoor besproken uitzondering van artikel 7:3 onder c Awb voor. Daartoe voerde de Belastingdienst aan dat het telefonisch contact had gezocht met eiser om over een eventuele hoorzitting te praten, maar dat de gemachtigde van eiser de gehele dag niet aanwezig op kantoor was. De Belastingdienst leidde hieruit af dat eiser blijkbaar niet gehoord wenste te worden.
De rechtbank maakt echter korte metten met dit standpunt. Uit de ontstaansgeschiedenis van artikel 7:2 Awb blijkt namelijk dat de hoorplicht een essentieel onderdeel is van de bezwaarschriftenprocedure. Dit brengt volgens de rechtbank met zich dat uitzonderingen op de hoorplicht restrictief worden uitgelegd. "Van een verklaring, als bedoeld in artikel 7:3, aanhef en onder c, van de Awb, is daarom alleen sprake als de belanghebbende uitdrukkelijk heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht gehoord te worden. De bewijslast van deze toestemming ligt bij het bestuursorgaan."
Het standpunt van de Belastingdienst kan volgens de rechtbank dan ook geen stand houden. Immers, uit de enkele afwezigheid van de gemachtigde valt niet op te maken dat de eiser uitdrukkelijk heeft verklaard geen gebruik te willen maken van zijn recht te worden gehoord. Ook uit het dossier blijkt niet van een dergelijke verklaring. De conclusie is dan ook, naar mijn mening geheel terecht, dat de Belastingdienst eiser ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld om te worden gehoord.
Nieuwe vergunningaanvraag nodig voor gewijzigde bouwplannen?
Een artikel van De Voort Advocaten | Mediators, sectie vastgoed & overheden. Door Mr. Frank Sanders.
Het komt regelmatig voor dat een vergunninghouder of een vergunningaanvrager zijn of haar te realiseren bouwplan wenst te wijzigen. Hij of zij geeft er dan regelmatig de voorkeur aan daartoe geen integrale nieuwe vergunningaanvraag in te dienen, maar vragen B&W de voorschriften van de afgegeven vergunning te wijzigen. De thans vigerende Wabo kent daartoe geen specifieke grondslag, een dergelijk verzoek is te kwalificeren als een 'normale' beschikking op aanvraag ex art. 1:3 Awb.
De redenen waarom de voorkeur uitgaat naar een wijzigingsvergunning met de bijbehorende procedure boven een reguliere volledige nieuwe vergunning met de bijbehorende procedure zijn divers, maar de belangrijkste zijn de volgende:
- tijdwinst: in principe wordt het ambtelijk apparaat van de gemeente minder in beslag genomen bij de toetsing van de wijziging, dan wanneer een integrale nieuwe vergunning wordt verzocht, waarvoor een wijzigingsbeschikking sneller kan worden afgegeven;
- kostenbesparing: het opstellen van een wijzigingsverzoek kost de bouwer evident minder tijd, kosten en moeite dan het opstellen van een integrale nieuwe vergunning;
- leges: normaal gesproken zijn de leges voor de wijzigingsvergunning aanzienlijk lager dan die voor de gehele nieuwe bouwvergunning (afhankelijk van de gemeentelijke legesverordening);
- kring van belanghebbenden in beroep: ingevolge art. 6:13 Awb kan een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijze indiende of bezwaar maakte tegen een bouwplan geen beroep meer instellen. Als hangende een beroepsprocedure een bij beslissing op bezwaar verleende vergunning wordt gewijzigd, dan wordt die gewijzigde vergunning ex art. 6:18 en 6:19 Awb meegenomen in de beroepsprocedure, de beroepsgronden van de appellant worden geacht ook gericht te zijn tegen die wijzigingsvergunning. Belanghebbenden die met het oorspronkelijk vergunde bouwplan geen moeite hadden, maar wél met het hangende beroep gewijzigde bouwplan, zien hun bezwaren in niet-ontvankelijkheid stranden vanwege art. 6:13 Awb;
- flexibiliteit: projectontwikkelaars kunnen relatief snel inspringen op gewijzigde wensen van de eindafnemers.
Onder welke omstandigheden is een dergelijke praktische - en daarmee voor zowel vergunninghouder als B&W aantrekkelijke - aanpak eigenlijk toegestaan?
Alleen wijzigingen van ondergeschikte aard
Een dergelijke praktische aanpak kan, met name voor belanghebbenden en hun inspraak- en beroepsmogelijkheden, potentieel grote gevolgen hebben. Om die reden laat de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) alleen toe dat wijzigingen van ondergeschikte aard middels de wijzigingsprocedure in bouwplannen worden doorgevoerd. De Afdeling betrekt in zijn overwegingen de volgende omstandigheden:
- de aard en omvang van de wijzigingen, zowel op zichzelf beschouwd als (met name) in relatie tot het gehele bouwplan en de omgeving;
- het al dan niet wijzigen van de uiterlijke verschijningsvorm van het gehele bouwplan;
- de ruimtelijke uitstraling van de wijzigingen.
Praktijkvoorbeelden
Of een wijziging van ondergeschikte aard is, moet dus van geval tot geval beoordeeld worden en is volledig afhankelijk van de specifieke omstandigheden van het geval. Hierna volgt een - uiteraard niet uitputtend bedoeld - overzicht van enkele concrete uitspraken van de Afdeling en lagere bestuursrechters waarin zij oordeelden over de vraag of een wijziging al dan niet van ondergeschikte aard was.
Wijzigingen van ondergeschikte aard
- de nieuwe situering van drie extra parkeerplaatsen (ABRvS 20 juli 2011, LJN: BR2295);
- verhoging van de nokhoogte van alle zeven van het bouwplan deel uitmakende woningen met 20 centimeter van 8,90 meter naar 9,10 meter in verband waarmee de totale bouwmassa van het bouwplan toeneemt (ABRvS 17 november 2010, LJN: BO4201);
- uitsluitend de situering van de woning is aangepast aan de bij het vrijstellingsbesluit behorende ruimtelijke onderbouwing (ABRvS 11 april 2007, LJN: BA2666);
- het gewijzigd uitvoeren van de toiletruimte, waarin één toilet in plaats van twee zijn ingetekend. Deze wijziging is in verhouding tot het gehele bouwplan van beperkte omvang en strekking, in bouwkundig opzicht niet ingrijpend en gelet op de ongewijzigde verschijningsvorm van het gebouw uit planologisch oogpunt niet van betekenis (ABRvS 21 december 2011, LJN: BU8875);
- de wijzigingen in het bouwplan betreffen verhoging van de goothoogte van de woning met 20 cm, aanpassing van de afmetingen van de garagedeur, aanpassing van de functie van de berging en hobbyruimte en verwijdering van de gang. Gelet op de omvang van het bouwplan en de vrijwel ongewijzigde verschijningsvorm daarvan, heeft de voorzieningenrechter terecht overwogen dat sprake is van wijzigingen van ondergeschikte aard (ABRvS 28 september 2011 LJN: BT2827);
- wijziging van vijf windmolens naar twee keer twee windmolens op nagenoeg dezelfde locatie en de verandering in het type van de windmolens. De wijziging is van ondergeschikte betekenis omdat de aard van de installatie onveranderd is en er geen sprake is van wezenlijk nieuwe effecten (Rechtbank Roermond 8 juli 2011, LJN: BR2711);
- een bouwplan omvatte de bouw van 8 woningen. Nadien is er voor gekozen in plaats van een geplande twee-onder-één-kap-woning, op exact dezelfde plaats, een enkele woning van dezelfde grootte te realiseren. Gelet op de gelijk gebleven afmetingen van het bouwplan en de geringe verandering in uitstraling van het plan ten opzichte van het eerdere plan, is dit, wat betreft het verzoek om vrijstelling, een wijziging van ondergeschikte aard. Deze heeft voor de ruimtelijke onderbouwing van de voorliggende vrijstelling en voor de herinrichting van het terrein geen gevolgen (Rechtbank Arnhem, 23 juni 2011, LJN: BR0399);
- inzake een bouwplan dat voorzag in de bouw van een appartementengebouw met drie bouwlagen, werden op elke bouwlaag de serres en terrassen aan de achterzijde met elkaar zijn gewisseld. Voorts is de eerste bouwlaag aan de voorzijde uitgebreid binnen het als gevel aan te merken frame. De wijzigingen zien verder op de inrichting van het voorterrein. Daar is het hek bij de hellingbaan verplaatst en is een fietsenhok gewijzigd in een containerhok. Zowel op zichzelf beschouwd, als bezien tegen het totale bouwplan, zijn deze wijzigingen van ondergeschikte aard (ABRvS 6 oktober 2010, LJN: BN9519);
- ingevolge een bouwvergunning voor een scholencomplex voor het ROC Leiden en een VMBO-instelling (DaVinci), kantoor- en winkelruimte, waaronder een supermarkt op de begane grond van het gebouw en een ondergrondse parkeergarage met (brom)fietsenstalling en aanleg achter het gebouw van parkeerplaatsen: dit gebouwencomplex zou bestaan uit vijf torens met een afwisseling in de bouwvolumes en de bouwhoogte van 46,35 m aan de westzijde van het gebouw naar 31,95 m aan de oostzijde. De wijzigingen die in dit bouwplan werden doorgevoerd, bestonden uit het verhogen van het peil met 0,65 m ten opzichte van het NAP, het realiseren van een éénlaags-parkeergarage onder het gehele gebouw en gedeeltelijk onder het voorterrein in plaats van een tweelaagse-parkeerkelder onder een gedeelte van het gebouw en een deel van het voorterrein, het oprichten van een inpandig vluchttrappenhuis ten behoeve van de garage, het intern wijzigen van de constructieve bouwdelen in de torens en het aanbrengen van verschillende interne wijzigingen, waaronder de plaatsing van onder andere trappen. Voorts zouden de dakopbouwen worden verlaagd en worden teruggeplaatst ten opzichte van de gevel, waardoor de totale hoogte van het gebouw ongewijzigd zal blijven ten opzichte van de vergunde bouwhoogte. De Afdeling oordeelde in deze zaak de wijzigingen, hoewel niet alle wijzigingen in absolute zin zonder meer als gering kunnen worden aangemerkt, gelet op de omvang van het totale, omvangrijke bouwplan niet ingrijpend en gelet op de vrijwel ongewijzigde verschijningsvorm van het gebouw onder de omstandigheid dat de situering van het complex bovengronds niet is veranderd, planologisch niet relevant. De Afdeling voegde hieraan toe dat gesteld noch gebleken was dat derden door de wijziging in hun belang zijn geschaad (ABRvS 9 december 2009, LJN: BK5857).
Geen wijzigingen van ondergeschikte aard. Nieuwe bouwaanvraag benodigd.
- bij splitsing van de aanvraag door de vergunningaanvrager komt het bouwplan, dat bestaat uit het aanbrengen van twee balkons, voor de helft te vervallen. Een zodanige wijziging is niet van ondergeschikte aard, zodat de aanvraag niet voor splitsing in aanmerking komt (ABRvS 12 september 2007, LJN: BB3423);
- verlaging van delen van de dakvoet met enkele meters, maar ook de verplaatsing van de badruimten van de zolderverdiepingen naar de eerste verdiepingen, het veranderen van de zolderverdiepingen in geheel lege ruimten en een verplaatsing van een deel van de bergingen, kwalificeren niet als een wijziging van de oorspronkelijke bouwplannen van ondergeschikte aard (ABRvS 27 juni 2007, LJN: BA8118);
- de vergroting van de oppervlakte van het bouwplan voor het gebruik als dienstwoning ten koste van de oppervlakte voor het gebruik als dienstverlening, beheer en onderhoud en centrale voorzieningen, en het verlagen van een deel van de dakconstructie, kan niet worden aangemerkt als een dergelijke wijziging (ABRvS 14 februari 2007, LJN: AZ8459);
- betreffende een bouwplan dat voorzag in de oprichting van een bedrijfswoning met bijgebouw bestonden de wijzigingen uit de verschuiving van het bijgebouw met circa 5 m, verandering van de dakhelling van 42 naar 45 graden, wijziging van de goothoogte, verkleining van de loggia, verplaatsing van de schoorsteen naar de voorgevel en toevoeging van een tweede schoorsteen. Door de verschuiving van het bijgebouw van de achterkant naar de zijkant van het hoofdgebouw, is het uiterlijk aanzien van het bouwplan veranderd. Deze wijzigingen tezamen zijn een gedaantewijziging van dien aard dat sprake is van een ander bouwplan (ABRvS 24 augustus 2011, LJN: BR5708);
- het wijzigen van het dak van een bedrijfsloods van een gekapt naar een plat dak, teneinde aan de welstandscriteria te kunnen voldoen. De rechtbank is van oordeel dat deze verandering geen aanpassing is van ondergeschikte aard van het bouwplan. Een wijziging van de dakvorm van een bedrijfsloods in deze omvang is niet alleen in constructief opzicht wezenlijk anders, maar heeft bovendien aanzienlijke gevolgen voor de ruimtelijke uitstraling van het gebouw (Rechtbank Utrecht 16 februari 2011, (LJN: BP4990).
Conclusie
Uit de voorbeelden blijkt dat een scheidslijn moeilijk te trekken is. Het lijkt erop dat in twijfelgevallen waarin de aanvrager en B&W bij het behandelen van het verzoek tot wijziging of aanpassing onderkennen dat alleen bij wijzigingen van ondergeschikte aard de gevraagde medewerking kan worden verleend, en om die reden in de wijzigingsvergunning gemotiveerd aangeven dat B&W van oordeel zijn dat sprake is van een wijziging van ondergeschikte aard, de bestuursrechter bereid is de criteria soepel toe te passen.
Bescherming landschapskwaliteit bij rechter moeilijk af te dwingen
Burgers kunnen zich juridisch vaak nergens op beroepen als zij vinden dat de landschappelijke kwaliteiten in het geding zijn. Dit komt doordat deze kwaliteiten vaak niet van een wettelijke basis zijn voorzien. Dat schrijven onderzoekers van Alterra in hun studie ‘Rechtsontwikkelingen landschapsbeleid: landschapsrecht in wording’. Crisis- en Herstelwet In de paper en het bijbehorende werkdocument gaan de auteurs in op de mogelijke gevolgen voor de juridische status van het landschap door de verdergaande decentralisering van het landschapsbeleid. Meer informatie: WOt-werkdocument 280. Kistenkas, F.H. & W. Nieuwenhuizen (2011). Rechtsontwikkelingen landschapsbeleid: landschapsrecht in wording. Wageningen, Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu, Wageningen UR. bron: WOT
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
Aanleiding van de studie is de ontwerp-Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte waarin het kabinet aankondigt dat het landschapsbeleid voortaan bij de provincies thuis hoort. De studie start met de vraag in hoeverre de wettelijke regels voor landschap afdoende gewerkt hebben de afgelopen jaren en wat de provincies daarvan kunnen leren en overnemen. Belangrijkste conclusie is dat zonder extra wettelijke regels het juridisch nu vaak onmogelijk is aantasting van landschapskwaliteit te verhinderen.
Verder constateren de onderzoekers dat het met de nieuwe relativiteitseis uit de Crisis- en Herstelwet moeilijk wordt om een juridische procedure te winnen. De relativiteitseis betekent namelijk dat een burger of organisatie alleen een beroep op een rechtsregel kan doen als dit rechtstreeks ook zijn belang betreft. En bij een aantasting van landschap is dat niet zonder meer altijd het geval. Volgens de onderzoekers zou niet centraal moeten staan wie er vindt dat het landschap wordt aangetast maar centraal zou moeten staan dat het landschap en de rechtsregels van het landschapsrecht worden geschonden. De rechter zou nu bijvoorbeeld kunnen oordelen dat de desbetreffende burger of groep burgers zoals een milieuorganisatie, niet in het gebied woont of dat de kernkwaliteit een bepaalde soort of habitattype beschermt en niet die burger.
WOt-paper 12. Kistenkas, F.H. & W. Nieuwenhuizen (2011). Recht versus beleid; rechtsontwikkelingen landschapsbeleid, van Wageningen, Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu, Wageningen UR.
Handleiding formuleren output- en outcomecriteria VTH-taken
Afgelopen zomer heeft de VNG een pilot uitgevoerd bij vijf gemeenten voor het formuleren van output en outcome criteria voor vergunningverlening, toezicht en handhavingstaken op het gebied van VROM-regelgeving. Uit de pilot blijkt dat de criteria een grote meerwaarde hebben. Zij dwingen bestuur en organisatie om na te denken over de prioriteiten, effecten en resultaten van het reguleren van het omgevingsrecht.
Op basis van de pilot is een handleiding ontwikkeld die gemeenten helpt om de output- en outcomecriteria te formuleren.
Output- en outcomecriteria
De output- en outcomecriteria zijn tot stand gekomen als nadrukkelijke wens van gemeentelijke bestuurders die de inputcriteria (de zogenaamde KPMG-criteria) te procesmatig vonden. Ze moeten gezien worden als aanvulling op de inputcriteria. De output- en outcomecriteria maken de ambities en uitkomsten bij de uitvoering van beleid concreet. De basis voor de criteria zijn:
- Minimumeisen uit de wetgeving
- Het eigen vastgestelde beleid
- Prioriteiten op basis van risicoanalyses
Output- en outcomecriteria kunnen gebruikt worden voor horizontaal toezicht en voor het onderling vergelijken van organisaties.
Pilot en handleiding
Alle gemeenten die meegedaan hebben (De Wolden, Bronckhorst, Leeuwarden, Breda en Hengelo) hebben de formulering van de criteria ieder met een eigen invalshoek uitgevoerd. In alle gevallen was er een vertegenwoordiging uit het college en een aantal ambtenaren aanwezig. Soms ook een aantal raadsleden. Gemeenten die er mee aan de slag willen kunnen uit de verschillende invalshoeken en ervaringen een werkwijze kiezen die het beste bij hen past.
Meer informatie
- Handleiding implementatie output- en outccomecriteria (februari 2012, pdf)
- Eindrapport pilot output- en outcomecriteria (november 2011, pdf)
- www.vng.nl/rud (zie Kwaliteitsverbetering)
Planning inspraakreactie Omgevingswet
Het ministerie van IenM werkt aan een nieuwe Omgevingswet. De VNG is bezig met het voorbereiden van de reactie voor de inspraakperiode. Hierbij willen we ook zoveel mogelijk reacties van gemeenten betrekken.
Burgemeester Noordanus van Tilburg en oud-wethouder Bosch van Utrecht begeleiden het inspraaktraject.
Ophalen reacties
Om zoveel mogelijk input op te halen bij gemeenten zijn voor half april 2012 in ieder geval de volgende acties gepland:
- bezoeken aan de provinciale afdelingen
- speciale vergaderingen van de commissies Ruimte en Wonen, Milieu en Mobiliteit en de subcommissie Water
- drie visiediners over landelijk gebied, over stedelijk gebied en een algemeen diner
- bespreken VNG-reactie in VNG-bestuur
Verder ontvangen alle gemeenten binnenkort een brief van de VNG met daarin een vooraankondiging van de inspraakprocedure en het verzoek om alle reacties aan de VNG te sturen.
Impact
De wetswijziging heeft grote impact op gemeenten, niet alleen door de omvang en de snelheid van invoeren, maar ook door andere wijzigingen die de afgelopen jaren op gemeenten zijn afgekomen. Bijvoorbeeld invoering van de Wabo, herziening van de Wro, invoering van de Crisis- en Herstelwet en vorming van de RUD's.
Omgevingswet
De nieuwe Omgevingswet moet het omgevingsrecht eenvoudiger en beter maken. In de nieuwe Omgevingswet worden verschillende bestaande wetten geheel of gedeeltelijk opgenomen (onder meer Wabo, Wro). Het ministerie streeft ernaar de wet per 1 januari 2014 in werking te laten treden.
Meer informatie
Meld u project aan voor vijfde ronde Crisis- en herstelwet
De nieuwe, vijfde tranche van de Crisis- en herstelwet (Chw) is van start gegaan! En dat is ook van belang voor gemeenten: denk aan grote woningbouwprojecten, stadsvernieuwing, de herontwikkeling van stationsgebieden of de renovatie van bedrijventerreinen.
Voor toepassing van de Chw komen de volgende typen projecten in aanmerking:
- ontwikkelingsgebieden
- innovatieve experimenten, het project moet bijdragen aan een duurzame en economische ontwikkeling
- lokale en (boven)regionale projecten met nationale betekenis
Deadline
Tot 1 maart 2012 kunt u uw project aanmelden.
Aanmelden
Per e-mail: postbus.CHW@minienm.nl
Telefonisch: Monique Arnolds, tel. 06-52 595 077
of Fenna Gutter, tel. 06-52 595 538
Meer informatie
Juridische kwaliteitszorg bij gemeenten
Praktijkdag 2 maart 2012 – JBA in samenwerking met Ordito Locatie: Hotel Gilze-Rijen te Gilze. Aanmelden kan via de website www.adviescentrumklaassen.nl of door het formulier volledig in te vullen en te retourneren per e-mail (info@adviescentrumklaassen.nl).
De economische crisis is in alle geledingen doorgedrongen. Ook gemeenten worden hiermee geconfronteerd. Er moet worden bezuinigd, maar gelijktijdig worden gemeenten geconfronteerd met allerlei eisen die worden gesteld aan de uitvoering van overheidstaken. Zo worden steeds strengere eisen gesteld aan de (voorbereiding van) de besluitvorming en er moet klantvriendelijk(er) worden gewerkt. Maar dat moet dan wel allemaal binnen de bestaande kaders en geldstromen en personeelsbezetting. Er wordt fors bezuinigd op opleidingen en permanente educatie en dat is funest voor de kwaliteit van het ambtelijk apparaat.
Gemeenten worden regelmatig geconfronteerd met geldverslindende procedures omdat er te weinig tijd kan worden gestopt in de voorbereiding van besluiten. Maar soms is ook de gebrekkige kennis een van de oorzaken. De wetgeving is zo complex geworden en de belasting vaak zo hoog, dat zelfs specialisten gemakkelijk de weg kwijt kunnen raken. De kans op fouten is dan volop aanwezig. De gemeentelijke bestuurders lijken pas wakker te worden geschud als er een zaak verloren gaat. Er moet veel meer worden geïnvesteerd in juridische kwaliteit en er moet proactief worden geopereerd. Het voorkomen van procedures moet voorop staan.
Er is een wetsvoorstel in aantocht waarin gemeenten worden geconfronteerd met forse bedragen (oplopend tot liefst € 17.500,-) als procedures bij de rechtbank en/of de Raad van State verloren gaan. Een reden te meer om de aandacht te richten op de kwaliteit van de besluitvorming. Naast een gedegen kennis is ook een neus nodig om mogelijke (financiële) risico’s voor de gemeente in te kunnen schatten.
Op deze praktijkdag staat centraal de wijze waarop mogelijke risico’s worden getraceerd, maar vooral hoe deze kunnen worden voorkomen. Allereerst zal de focus worden gericht op een aantal relevante wetten, waarin eisen zijn opgenomen over de voorbereiding van besluiten, beslistermijnen, procedures en rechtsbeschermingsmogelijkheden. De Algemene wet bestuursrecht, de Wabo en de Crisis- en herstelwet spelen hierin een belangrijke rol.
Na het wettelijke kader wordt verder doorgestoken naar het ‘echte’ werk’. Waar moet de gemeente alert op zijn bij het voeren van procedures, hoe kan met de rechter worden gecommuniceerd over de aanpak (bestuurlijke lus) en hoe kan een zaak zo snel mogelijk tot een eind komen. En hoe wordt omgegaan met de behandeling van bezwaren, al of niet op advies van een bezwaarschriftencommissie?
Een belangrijk thema vormen de diverse rechtsbeschermingsmogelijkheden (bezwaar, beroep, hoger beroep) De rechters hebben nogal wat mogelijkheden om tot finale geschilbeslechting te komen. Deze mogelijkheden – met eventueel de tussenstap van de inmiddels veel toegepaste bestuurlijke lus – zullen op een rij worden gezet. Maar er zal ook aandacht worden besteed aan oplossingen buiten de rechtszaal en buiten het gemeentehuis. Een van de mogelijkheden is mediation. Op een aantal centrale begrippen zoals relativiteit, belanghebbendheid zal nader worden ingegaan. Voorts zullen de capita selecta van de jurisprudentie op het terrein van het bestuursprocesrecht (bezwaar en beroep) worden behandeld. Daaruit zullen zoveel mogelijk praktische tips worden gedestilleerd.
Het wetsvoorstel verhoging griffierechten vormt de directe aanleiding voor deze dag, maar ook zonder dit wetsvoorstel is het cruciaal dat gemeenten de juridische kwaliteit kunnen borgen. Dat vraagt om een voortdurende aandacht voor ontwikkelingen in wetgeving en jurisprudentie, een goede organisatorische inbedding en kwaliteitsbewaking. Meestal trekken alleen zaken die misgaan de aandacht en wat er allemaal goed loopt is onzichtbaar. En toch zal daar de focus moeten liggen. Op lange termijn zal de gemeente de vruchten plukken van investeringen die in de juridische kwaliteitszorg worden gedaan. We hebben gekozen voor de aanpak dat eerst het kader wordt gegeven waarbinnen moet worden gewerkt en dat dan pas wordt geanalyseerd waar quick wins zijn te behalen en waar verbeterpunten voor de toekomst mogelijk zijn. Dit alles binnen de kaders van de huidige en toekomstige wetgeving. Het sluitstuk van de dag is gewijd aan het formuleren van conclusies en aanbevelingen voor de dagelijkse praktijk.
Overgangsrecht in het bestemmingsplan
Op 8 februari 2012 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, inzake het overgangsrecht, de volgende uitspraak gedaan. Het betrof een nieuw bestemmingsplan waarbij een woning, welke reeds onder het overgangsrecht viel van het oude bestemmingsplan, opnieuw onder het overgangsrecht werd gebracht.
2.3.2. Het perceel [locatie 2]/[locatie 3] heeft in het plan de bestemming "Wonen". Ingevolge artikel 14, lid 14.2, aanhef en onder a, van de planregels mag op gronden met deze bestemming binnen ieder bestemmingsvlak één vrijstaande woning worden gebouwd. Vast staat dat op het perceel reeds een vrijstaande woning aanwezig is met huisnummer [locatie 3], zodat het door [appellant sub 2] als woning gebruikte gebouw in het plan niet als zodanig is bestemd. Op grond van artikel 14, lid B I, van het voorheen geldende plan "Buitengebied 1992" gold eveneens dat per bestemmingsvlak slechts één woning was toegestaan, zodat ook in dat plan het gebouw met huisnummer [locatie 2] niet als woning was bestemd. Artikel 27, lid B, van het laatstgenoemde plan bepaalde evenwel dat het op het tijdstip van het rechtskracht verkrijgen daarvan bestaande gebruik dat met de in dat plan aangewezen bestemming in strijd was mocht worden voortgezet. Nu [appellant sub 2] ter zitting aannemelijk heeft gemaakt dat het betrokken gebouw al voor inwerkingtreding van het plan "Buitengebied 1992" als woning werd gebruikt, moet worden aangenomen dat dat gebruik was toegestaan op grond van het overgangsrecht van dat plan. Uit artikel 28, lid 28.2, van het nu voorliggende plan volgt dat het gebruik als woning thans opnieuw onder het overgangsrecht is gebracht. Het opnieuw onder het overgangsrecht brengen van dit gebruik is, gelet op het karakter van het overgangsrecht dat is gericht op beëindiging van het gebruik, in beginsel echter slechts toegestaan indien aannemelijk is dat het gebruik binnen de planperiode zal worden beëindigd. Dat [appellant sub 2] voornemens is het bestaande gebruik als woning te beëindigen is echter niet aannemelijk geworden. Evenmin is gebleken dat het gemeentebestuur voornemens is de betrokken gronden te verwerven of tot onteigening over te gaan. Nu het voorts in dit geval gaat om een reeds lang bestaande situatie en vaststaat dat het gebouw met vergunning is gebouwd, zodat tegen het gebouw als zodanig niet handhavend kan worden opgetreden, kan het besluit het gebouw aan de [locatie 2] niet als woning te bestemmen niet worden gedragen door het enkele uitgangspunt van de raad, zoals dat uit de plantoelichting kan worden afgeleid, dat toevoeging van bebouwing in het buitengebied ruimtelijk niet wenselijk is. Het bestreden besluit is derhalve op dit punt onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd.
Met dank aan Jaco de Jong van Verstoep Bouwkundigen.



