Banner
Banner

Een artikel van Sebastiaan Levelt van Wieringa Advocaten.

Een natuurlijke of rechtspersoon is volgens de Algemene wet bestuursrecht belanghebbende indien deze een rechtstreeks belang heeft bij een besluit. In het geval het gestelde belang uitsluitend voortkomt uit een contractuele relatie is er sprake van een afgeleid belang, zodat de betrokkene niet als belanghebbende wordt aangemerkt.

Dit geldt echter niet voor ieder afgeleid belang. In een recente eerdere weblog is al aandacht besteed aan de uitzondering, namelijk dat een economisch eigenaar van een onroerend goed toch belanghebbend kan zijn, ondanks de omstandigheid dat diens belang uitsluitend voortkomt uit een contractuele relatie. In de besproken uitspraak werd echter geconcludeerd dat er geen belanghebbendheid was.

De Afdeling bestuursrechtspraak heeft onlangs een uitspraak gedaan waarin een economisch eigenaar van een onroerend goed wel als belanghebbende werd aangemerkt.

De volgende omstandigheden leidden tot de onderhavige uitspraak. Met de economische eigendom kwamen alle baten en lasten van het onroerend goed voor rekening van betrokkene, het risico berustte bij hem, de exploitatie van het onroerend goed kwam voor diens rekening en risico, hij was bevoegd tot het verrichten van alle feitelijke en rechtshandelingen en de juridisch eigenaar diende zich anders dan op verzoek van de economisch eigenaar te onthouden van het verrichten van enige feitelijke of rechtshandeling met betrekking tot het goed. Onder deze omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat de betrokkene als belanghebbende dient te worden aangemerkt, aangezien een reële mogelijkheid bestaat dat zij door het betrokken besluit (i.c. een aanwijzing als gemeentelijk monument) in zijn aan de economische eigendom ontleende belang zal worden geschaad.

Met deze rechtspraak wordt de gewone koper niet belanghebbende bij een besluit ten aanzien van het onroerend goed, waarop zijn overeenkomst betrekking heeft. Onder omstandigheden kan dit echter anders zijn, met name nadat eventuele ontbindende voorwaarden zijn uitgewerkt, de leveringsdatum nadert en bijvoorbeeld aan de koper de sleutels ter beschikking zijn gesteld. Indien de sleutelverklaring, die in dit verband wordt opgesteld, wordt aangevuld met bepalingen als hiervoor beschreven, zal de koper worden aangemerkt als belanghebbende bij een besluit ten aanzien van het onroerend goed.

Gepubliceerd in Nieuws Wro
donderdag, 19 april 2012 13:56

Koper belanghebbende bij bestemmingsplan?

Een artikel van Yordy Soffner van Wieringa Advocaten.

Kan een koper van een perceel belanghebbende zijn bij een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, ook wanneer hij nog geen juridisch eigenaar is? Deze vraag kwam onlangs aan de orde in een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 maart 2012.

In deze zaak is beroep ingesteld tegen het besluit van de raad van de gemeente Muiden tot vaststelling van een nieuw bestemmingsplan. Appellante was koper van een perceel dat onder de reikwijdte van het bestemmingsplan viel. De juridische eigendom van het perceel was echter nog niet overgedragen aan appellante en behoorde nog toe aan de verkoper. Nadat de gemeenteraad een nieuw bestemmingsplan had vastgesteld, kwam appellante hiertegen in beroep.

Volgens de gemeenteraad diende het beroep van appellante niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat appellante geen belanghebbende is bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan. Volgens de raad ontbreekt het rechtstreekse belang bij de koper. Op grond van artikel 8.2. lid 1 onder a Wro kan beroep tegen een bestemmingsplan namelijk alleen door een belanghebbende worden ingediend. Onder belanghebbende wordt ingevolge artikel 1.2 Awb verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

De Afdeling overweegt, met verwijzing naar haar eerdere uitspraak van 28 mei 2008, dat een koper, voordat het juridisch eigendom aan hem is overgedragen, onder omstandigheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang kan hebben. In die eerdere uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat waarde toekomt aan de inhoud van de koopovereenkomst, in het bijzonder of daarin een ontbindende voorwaarde is opgenomen alsmede voorwaarden die bepalen wie de risico's van waardevermeerdering en waardevermindering van het perceel draagt.

In de door appellante overgelegde brief en registerverklaringen staat dat zij een koopovereenkomst met betrekking tot gronden uit het bestemmingsplan heeft gesloten en dat de oorspronkelijk geplande leveringsdatum voor onbepaalde tijd is verlengd. Gelet hierop oordeelt de Afdeling dat het vermoeden bestaat dat de risico's van waardevermeerdering en waardevermindering nog niet op appellante is over gegaan, maar nog steeds op de verkoper rust. Daar komt bij dat appellante bij herhaling is verzocht om toezending van de koopovereenkomst, maar aan dit verzoek is nimmer gehoor gegeven. Ook was zij noch haar gemachtigde ter zitting aanwezig om vragen over de inhoud hiervan te beantwoorden.

Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat appellante niet heeft aangetoond dat de inhoud van de koopovereenkomst met zich brengt dat zij een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang heeft. Het beroep van appellante dient naar het oordeel van de Afdeling ingevolge art. 8.2 lid 1, onder a Wro, gelezen in samenhang met art. 1:2, lid 1 Awb, niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Wanneer valt uit de inhoud van de koopovereenkomst dan wel af te leiden dat de koper belanghebbende is?

In de reeds genoemde uitspraak van 28 mei 2008 kwam de Afdeling tot de conclusie dat de koper wél belanghebbende was nu in de koopovereenkomst een vaste koopprijs van de percelen was vastgelegd, waardoor een waardestijging dan wel -daling voor risico van de koper kwam. Daarnaast hadden partijen geen ontbindende voorwaarde opgenomen voor het geval het gewenste gebruik van het perceel als gevolg van het in ontwikkeling zijnde/komende bestemmingsplan niet langer mogelijk is. Ook was in de koopovereenkomst opgenomen dat de verkoper terzake van de publiekrechtelijke mogelijkheden van woningbouw op het perceel geen garantieverplichting jegens de koper heeft. Gelet op deze omstandigheden had de koper wel een rechtstreeks belang bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan.

Gepubliceerd in Nieuws Wro
maandag, 27 februari 2012 10:26

Over belanghebbendheid en zienswijzen

Een artikel van Cathine Knijff van Wieringa Advocaten.

Deze week heeft de Afdeling bestuursrechtspraak uitspraak gedaan op het beroep dat de Stichting Dorpsraad Wijk aan Zee en enkele burgers hadden ingesteld tegen de aan Tata Steel (voorheen Corus, daarvoor Hoogovens) verleende milieuvergunning en natuurbeschermingswetvergunning voor de realisatie van een warmtekrachtcentrale (22 februari 2012; uitspraak 1 en uitspraak 2). Wat een uitspraak over inhoudelijke kwesties, zoals de invulling van het begrip beste beschikbare technieken, had kunnen worden, werd in beide beroepsprocedures een niet-ontvankelijkverklaring. Reden om nog eens kort stil te staan bij belanghebbende-begrip en de beperking van het beroepsrecht tot belanghebbenden die hun zienswijzen tegen het ontwerpbesluit kenbaar hebben gemaakt.

Alleen een belanghebbende kan beroep instellen tegen een besluit. Een belanghebbende is degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Daartoe dient een burger een voldoende objectief en actueel, eigen, persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit. Bij milieuvergunningen wordt onder andere aan de hand van de afstand tot de inrichting bepaald of de burger die stelt belanghebbende te zijn, milieugevolgen van de inrichting kan ondervinden. De maximumafstand om nog als belanghebbende te kunnen worden aangemerkt is afhankelijk van de aard van de inrichting. Het is immers afhankelijk van de aard van inrichting hoe ver de milieugevolgen kunnen reiken. Omwonenden die op een afstand van 300 meter van een inrichting wonen worden doorgaans als belanghebbende aangemerkt, maar ook buiten deze afstand wordt wel belanghebbendheid aangenomen (bijvoorbeeld op een afstand van 900 meter van een zendmast gelet op de aard, ligging en grootte van de inrichting; maar er zijn ook gevallen van zendmasten waarin omwonenden op een afstand van 520-900 meter niet als belanghebbenden werden beschouwd). Kortom, de uitkomst verschilt per geval, afhankelijk van de relevante omstandigheden. In dit geval liggen de woningen van de burgers die beroep hadden ingesteld tegen de verlening van de milieuvergunning aan Tata Steel op 1700 tot 1750 meter respectievelijk 2.000-2.200 meter van de vergunde warmtekrachtcentrale. Dat is volgens de Afdeling te ver.

De Stichting Dorpsraad is wel belanghebbende (als algemeen-belangorganisatie, maar loopt aan tegen het vereiste dat tijdig zienswijzen moeten zijn ingebracht tegen het ontwerpbesluit. De wet bepaalt dat geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen tegen het ontwerpbesluit naar voren heeft gebracht. Dit houdt in dat een belanghebbende in beroep bij de bestuursrechter niet meer kan opkomen tegen onderdelen van een besluit die hij niet eerder, in het kader van de zienswijzen, heeft bestreden. Voor de verschillende omgevingsrechtelijke besluiten wordt de vraag wat precies als besluitonderdeel moet worden aangemerkt verschillend beantwoord. Voor bestemmingsplannen zijn de besluitonderdelen de plandelen, regels en/of de verbeelding. Voor milieuvergunningen gold jarenlang een strengere benadering en moesten de beslissingen over de aanvaardbaarheid van verschillende categorieën milieugevolgen (bijvoorbeeld geurhinder, geluidhinder, luchtkwaliteit) als besluitonderdelen worden gezien. Deze benadering heeft de Afdeling bestuursrechtspraak in verband met de komst van de omgevingsvergunning onder de sinds 1 oktober 2010 geldende Wet algemene bepalingen omgevingsrecht verlaten. Bij de omgevingsvergunning moeten de daarin opgenomen toestemmingen voor de verschillende activiteiten als besluitonderdelen worden gezien. Beslissingen over de aanvaardbaarheid van verschillende categorieën milieugevolgen worden niet meer als besluitonderdelen gezien. Dit geldt ook voor milieuvergunningen die nog onder de werking van de Wet milieubeheer zijn verleend mits deze bekendgemaakt zijn op of na 1 april 2011.

Zienswijzen moeten binnen 6 weken na publicatie van het ontwerpbesluit naar voren worden gebracht. De zienswijzen zijn tijdig ingediend indien deze voor het einde van de termijn zijn ontvangen, dan wel voor het einde van de termijn ter post zijn bezorgd, mits niet later dan een week na afloop zijn ontvangen. De zienswijzen van de Stichting Dorpsraad zijn (een dag) later dan een week na afloop van de termijn ontvangen. De Stichting voert nog wel aan dat de zienswijzen binnen de termijn ter post zijn bezorgd, maar dat kan niet baten, nu deze later dan een week na afloop van de termijn zijn ontvagen (waarschijnlijk door vermelding van een onjuiste postcode). De Stichting voert nog aan dat ze haar zienswijzen binnen de termijn per mail naar voren heeft gebracht, maar ook dat mag niet baten, omdat volgens de wet de elektronische weg alleen gebruikt kan worden (of beter: het gebruik een rechtsgeldige betekenis heeft) als het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat die weg is geopend. Dat was niet het geval. Tot slot wordt ook het argument van de Stichting dat de zienswijzen tijdig op haar eigen website stonden (terecht) gepasseerd omdat dit niet betekent dat de zienswijzen bij het bestuursorgaan naar voren zijn gebracht.

Ik merk nog op dat de Stichting deze voor haar ongetwijfeld teleurstellende gang van zaken, maar juiste rechterlijke beslissing, had kunnen voorkomen door de zienswijzen niet alleen met de post te versturen, maar ook te faxen.

Gepubliceerd in Nieuws Wro

Een artikel van Yordi Sofnner van Wieringa Advocaten.

Reeds eerder schreven wij over de hoorplicht in het bestuursrecht. Als het gaat om de behandeling van een bezwaarschrift dient het bestuursorgaan, voordat het op het bezwaar beslist, de belanghebbenden in de gelegenheid te stellen te worden gehoord, aldus artikel 7:2 Awb.

Deze hoorplicht behelst geen absolute plicht voor het bestuurorgaan. Uitzonderingen op de hoorplicht zijn neergelegd in artikel 7:3 Awb. Zo kan van het horen van belanghebbenden worden afgezien indien het bezwaar kennelijk (dus evident) niet-ontvankelijk is, het bezwaar kennelijk ongegrond is of wanneer volledig aan het bezwaar wordt tegemoet gekomen en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen worden geschaad. Daarnaast kan van het horen worden afgezien indien de belanghebbenden hebben verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord (artikel 7:3 onder c Awb).

In de praktijk blijkt over deze laatste uitzondering regelmatig discussie te ontstaan tussen het bestuursorgaan en de belanghebbende, waarbij de vraag centraal staat of het bestuursorgaan mocht aannemen dat de belanghebbende geen gebruik wenste te maken van het recht te worden gehoord. Zo ook in de uitspraak van de rechtbank Amsterdam d.d. 23 december 2012

In deze uitspraak had de Belastingdienst bij besluit het voorschot kinderopvangtoeslag beperkt tot een bedrag van EUR 0, -. In het beroep bij de rechtbank tegen het besluit heeft eiser zich (onder meer) op het standpunt gesteld dat de Belastingdienst hem ten onrechte niet de gelegenheid heeft geboden te worden gehoord over het bestreden besluit. Eiser stelt, met verwijzing naar artikel 7:2 Awb, dat hem hiermee de mogelijkheid is ontnomen zijn bezwaren tijdens een hoorzitting mondeling kenbaar te maken.

Volgens de Belastingdienst deed zich hier echter de hiervoor besproken uitzondering van artikel 7:3 onder c Awb voor. Daartoe voerde de Belastingdienst aan dat het telefonisch contact had gezocht met eiser om over een eventuele hoorzitting te praten, maar dat de gemachtigde van eiser de gehele dag niet aanwezig op kantoor was. De Belastingdienst leidde hieruit af dat eiser blijkbaar niet gehoord wenste te worden.

De rechtbank maakt echter korte metten met dit standpunt. Uit de ontstaansgeschiedenis van artikel 7:2 Awb blijkt namelijk dat de hoorplicht een essentieel onderdeel is van de bezwaarschriftenprocedure. Dit brengt volgens de rechtbank met zich dat uitzonderingen op de hoorplicht restrictief worden uitgelegd. "Van een verklaring, als bedoeld in artikel 7:3, aanhef en onder c, van de Awb, is daarom alleen sprake als de belanghebbende uitdrukkelijk heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht gehoord te worden. De bewijslast van deze toestemming ligt bij het bestuursorgaan."

Het standpunt van de Belastingdienst kan volgens de rechtbank dan ook geen stand houden. Immers, uit de enkele afwezigheid van de gemachtigde valt niet op te maken dat de eiser uitdrukkelijk heeft verklaard geen gebruik te willen maken van zijn recht te worden gehoord. Ook uit het dossier blijkt niet van een dergelijke verklaring. De conclusie is dan ook, naar mijn mening geheel terecht, dat de Belastingdienst eiser ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld om te worden gehoord.

Gepubliceerd in Nieuws Wro

Annejet Lamme schrijft op de weblog van Wieringa Avocaten.

In een uitspraak van 13 april jl. over een Wm-vergunning ten behoeve van een vuilstort-plaats in Assendelft heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, geheel onverplicht (de betrokken zaak viel nog onder het oude recht), een belangrijke uitspraak gedaan over belanghebbendheid in gedingen onder de Wabo (uitspraak van 13 april 2011).

De kring van belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 Awb bij een omgevingsvergun-ning, die meerdere toestemmingen bevat, dient te worden bepaald per toestemming.

Onder het vóór de Wabo geldende recht kon de kring van belanghebbenden bij bijvoor-beeld een vergunning op grond van de Wet milieubeheer aanmerkelijk ruimer zijn dan de kring van belanghebbenden bij bijvoorbeeld een uitwegvergunning voor de aanleg van een uitweg vanuit de milieuvergunningplichtige inrichting. Volgens de Afdeling blijkt uit de wetgeschiedenis van de Wabo niet, dat de wetgever dit verschil in omvang van de kring van belanghebbenden heeft willen opheffen. Een uitzondering geldt voor de belangheb-benden bij een omgevingsvergunning die ziet op een ondeelbare activiteit. De feitelijke activiteit is bijvoorbeeld ondeelbaar bij het slopen van een monument (waarvoor zowel toestemming voor het slopen zelf als toestemming voor het slopen van het monument vereist is). Hoewel de Afdeling dit niet met zoveel woorden zegt, maak ik hieruit op dat degene die de belanghebbende is bij een van de toestemmingen, tevens belanghebbende is voor de overige toestemmingen die nodig zijn voor de ondeelbare activiteit.

Bij de beoordeling van een beroep zal als eerste de ontvankelijkheid per toestemming beoordeeld worden, alvorens aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil toegeko-men kan worden. Het bepalen van de belanghebbendheid zal ertoe leiden dat een beroep tegen een omgevingsvergunning gedeeltelijk niet ontvankelijk verklaard kan worden, indien de appellant in het kader van ene toestemming binnen de omgevingsvergunning wel als belanghebbende en in het kader van andere de toestemming niet als belangheb-bende wordt aangemerkt.

Gepubliceerd in Nieuws Wabo
donderdag, 21 april 2011 00:00

RvS over kring belanghebbenden onder Wabo

Bij een omgevingsvergunning moet per toestemming worden bepaald of degene die in beroep komt belanghebbende is.
Hierover heeft de Raad van State een uitspraak gedaan. 

Het gaat om toestemmingen op grond van artikelen 2.1 en 2.2 van de Wabo, zoals bijvoorbeeld een toestemming om te bouwen, een toestemming om een uitweg aan te leggen en een toestemming om een inrichting (bijvoorbeeld een fabriek of een veehouderij) op te richten.

Deze regel geldt niet als het gaat om een omgevingsvergunning voor onlosmakelijk samenhangende activiteiten zoals is bedoeld in artikel 2.7 van de Wabo. 

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State deed hiermee een uitspraak, die ook interessant is voor de gemeentejuristen.  

Meer informatie

 

Gepubliceerd in Nieuws Wabo
Charlotte Mulder schrijft op de weblog van Wieringa Avocaten.
‘In de Algemene wet bestuursrecht wordt een belanghebbende als volgt gedefiniëerd: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Er moet een belang zijn, het belang moet aan iemand toekomen en het belang moet rechtstreeks betrokken zijn bij het besluit. Alleen aan de belanghebbende komen bepaalde bevoegdheden en rechten toe, denk bijvoorbeeld aan het instellen van bezwaar of beroep.

In de jurisprudentie is nader invulling gegeven aan het begrip ‘belanghebbende’. Dit geldt ook voor de belanghebbende met betrekking tot besluiten tot het aanwijzen van objecten als monument. Waar het gaat om natuurlijke personen, kan in de eerste plaats als belanghebbende worden aangemerkt de eigenaar of een anderszins zakelijk gerechtigde van het object. Omwonenden, huurders en andere gebruikers en andere individuele personen zijn geen belanghebbende.

Dat het hier gaat om vaste jurisprudentie, werd onlangs weer bevestigd in een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 23 februari jl. In deze zaak was door degene die samen met de eigenaar het pand bewoont, beroep ingesteld waarbij zij niet-ontvankelijk werd verklaard, omdat zij niet kan worden aangemerkt als belanghebbende. Er wordt hoger beroep ingesteld, waarin wordt aangevoerd dat deze beperking in strijd is met het recht op toegang tot de rechter als bedoeld in artikel 6 van het Europese Verdrag van de Rechten van de Mens (hierna: EVRM).

De Afdeling overweegt, onder verwijzing naar de jurisprudentie van het Europese Hof van de Rechten van de Mens, dat de toegang tot de rechter beperkt mag worden en dat dit niet in strijd is met artikel 6 EVRM, mits de beperkingen niet in essentie het recht op toegang tot de rechter schaden, een gerechtvaardigd doel dienen en proportioneel zijn. In dit geval was aan deze vereisten voldaan, aldus de Afdeling. De beperking tot de eigenaren en anderszins zakelijk gerechtigden tast in essentie niet de toegang tot de rechter aan. Hieraan wordt toegevoegd dat deze beperking niet onredelijk is, nu (alleen) de eigenaar en anderszins zakelijk gerechtigden bevoegd zijn het pand te wijzigen.
Gepubliceerd in Nieuws Wabo