Geurgevoelige objecten: een overzicht van jurisprudentie
Een artikel van Franca Damen op haar weblog.
In zowel het milieurecht als het omgevingsrecht speelt in veel procedures het aspect ‘geur’ een belangrijk beoordelingspunt. Zoals ik reeds eerder schreef in mijn blog over ‘Geur en ammoniak onderwerpen aan juist beoordelingskader’ (http://francadamen.wordpress.com/2012/02/15/geur-en-ammoniak-onderwerpen-aan-juist-beoordelingskader/) is het van groot belang om het aspect geur te onderwerpen aan een juist beoordelingskader. Daar waar het gaat om geurhinder afkomstig van dierenverblijven (bijvoorbeeld intensieve veehouderijen) is de Wet geurhinder en veehouderij het juist beoordelingskader voor het aspect geur.
Alvorens men tot de vraag komt of, en zo ja welk beschermingsniveau op grond van de Wet geurhinder en veehouderij moet worden gehanteerd, dient eerst te worden beoordeeld of sprake is van een geurgevoelig object, zoals gedefinieerd in artikel 1 Wet geurhinder en veehouderij:
“gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt”
Pas als sprake is van een geurgevoelig object, dan is de Wgv van toepassing. Dan kan ook pas de vraag aan de orde komen welk beschermingsniveau aan dat geurgevoelig object toekomt. Of sprake is van een geurgevoelig object dient blijkens de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2005/06, 30 453, nr. 3) te worden beoordeeld aan de hand van het criterium ‘verblijfsduur van de mensen op een locatie’. Deze definitie bestaat uit drie onderdelen.
“a. De locatie is bestemd voor menselijk wonen of menselijk verblijf. De locatie moet in het bestemmingsplan een functie hebben voor wonen of verblijf (…)
b. De locatie is blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf (…)
c. De locatie wordt permanent of regelmatig gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf (…) Met een regelmatig verblijf wordt bedoeld een aanwezigheid op de locatie, gedurende een niet onaanzienlijk gedeelte van een tijdseenheid, van één of meer mensen, al dan niet met gelijke tussenpozen.”
Laatstgenoemd onderdeel, te weten ‘de locatie wordt permanent of regelmatig gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf’, dient gelet op de wetsgeschiedenis evenwel slechts in beperkte mate in acht genomen te worden. Terwijl in het eerste wetsvoorstel in de definitie van geurgevoelig object de term ‘regelmatig’ was opgenomen, is deze term later door het aannemen van een amendement namelijk uit de definitie geschrapt (Kamerstukken II 2005/06, 30 453, nr. 19).
“Door het schrappen van de term ‘regelmatig’ wordt alleen bescherming geboden tegen langdurige blootstelling.”
Hieruit blijkt dus uitdrukkelijk dat de Wet geurhinder en veehouderij enkel bescherming biedt tegen langdurige blootstelling. Dit blijkt ook uit vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (in het vervolg: de Afdeling):
“Uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling (Kamerstukken II 2005/06, 30 453, nr. 19) valt af te leiden dat met de zinsnede ‘permanent of [op] een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik’ bedoeld is bescherming te bieden tegen langdurige blootstelling.” (Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State 24 maart 2010, zaaknr. 200905539/1/H1)
“Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat alleen bescherming tegen langdurige blootstelling aan geurhinder is beoogd (Kamerstukken II 2005/2006, 30 453, nr. 3 p. 16 ev. en nr. 19).” (Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State 12 mei 2010, zaaknr. 200902210/1/M2)
Daarnaast kan worden verwezen naar de Handreiking bij Wet geurhinder en veehouderij, opgesteld door InfoMil in samenwerking met het Ministerie van VROM, het Samenwerkingsverband Regio Eindhoven (SRE) en de provincie Noord-Brabant:
“Criteria die relevant zijn om te betrekken in de beoordeling zijn:
a. de verblijfsduur van menselijk wonen of verblijf. Van belang is de verblijfsduur op een dag, maar ook het aantal dagen per jaar dat sprake is van wonen of verblijf; indien sprake is van gebouwen die slechts een deel van het jaar worden gebruikt voor wonen of verblijf, kan dit een reden zijn om dit niet als permanent te beschouwen.
b. de aanwezigheid van dagelijks dezelfde personen of steeds wisselende personen. Als iemand elke dag weer opnieuw last heeft van geurhinder, is dat anders dan dat dit incidenteel een keer het geval is. Elke dag opnieuw heeft een meer permanent karakter dan af en toe een keer.
c. de mogelijkheid dat er mensen ook in de nachtperiode in het object verblijven. (…)
Recreatiewoningen of kampeerboerderijen die slechts enkele weken of maanden per jaar (…) in gebruik zijn zullen niet zo snel vergelijkbaar zijn met permanent gebruik. Dezelfde strekking zal van toepassing zijn op het bij een kleinschalige ‘B&B’ verstrekken van logies en ontbijt.”
Gelet op de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie biedt de Wet geurhinder en veehouderij enkel bescherming tegen langdurige blootstelling. Zoals blijkt uit de Handreiking bij de Wet geurhinder en veehouderij, zijn er een aantal criteria die relevant zijn om te betrekken in de beoordeling of sprake is van een geurgevoelig object. In de eerste plaats gaat het daarbij om de verblijfsduur van menselijk wonen of verblijf. Van belang is de verblijfsduur op een dag, maar ook het aantal dagen per jaar dat sprake is van wonen of verlijf is van belang. In de tweede plaats dient bij de beoordeling of sprake is van een geurgevoelig object rekening gehouden te worden met de aanwezigheid van dagelijks dezelfde personen of steeds wisselende personen. Als iemand elke dag weer opnieuw last heeft van geurhinder, is dat anders dan dat dit incidenteel een keer het geval is. In de derde plaats dient rekening gehouden te worden met de mogelijkheid dat er mensen ook in de nachtperiode in het object verblijven.
Of sprake is van een geurgevoelig object is telkenmale een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval. Hieronder wordt enige jurisprudentie van de Afdeling omtrent geurgevoelige objecten uiteengezet.
- Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State 26 mei 2010, zaaknr. 200905955/1/H1
“De Kamperhoek is een natuurkampeerterrein zonder kantine, dat (…) geopend is van april tot en met oktober. (…) kampeerders daar niet meer dan enkele weken per jaar verblijven en dat hun tenten of toercaravans slechts kortstondig op het terrein aanwezig zijn. De tenten en toercaravans worden uitsluitend voor eigen gebruik geplaatst en niet aan derden verhuurd. (…) geen vaste seizoensplaatsen aanwezig (…) Onder die omstandigheden moet worden geoordeeld dat de aanwezigheid, en daarmee het gebruik, van de tenten en toercaravans op het natuurkampeerterrein zodanig beperkt van duur is dat deze niet permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf. Reeds hierom heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat die tenten en toercaravans niet kunnen worden aangemerkt als een geurgevoelig object in de zin van artikel 1 van de Wgv.”
Zoals uit voormeld citaat blijkt, was in deze zaak sprake van verblijf van enkele weker per jaar. De Afdeling heeft geoordeeld dat dit verblijf zodanig beperkt van duur is dat deze niet permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik wordt gebruikt en dat er om die reden geen sprake is van een geurgevoelig object.
- Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State 24 maart 2010, zaaknr. 200905539/1/H1
“Blijkens de bij de bouwaanvraag behorende stukken zal de heemschuur worden gebruikt voor vergaderingen die eens of enkele malen per maand zullen plaatsvinden en voor het houden van één of enkele tentoonstellingen per jaar, die één of enkele dagen zullen duren. In de van de vrijstelling deel uitmakende ruimtelijke onderbouwing van 2 november 2006 is vermeld dat de schuur dienst zal doen als opslagplaats van historische voorwerpen en incidenteel als vergaderruimte en expositieruimte.
Gelet op het incidentele en kortdurende karakter van dit gebruik voor menselijk verblijf kan dat niet worden aangemerkt als een gebruik dat met permanent gebruik valt gelijk te stellen. De voorzieningrechter heeft dan ook terecht geoordeeld dat het college de heemschuur terecht niet heeft aangemerkt als een geurgevoelig object.”
- Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State 12 mei 2010, zaaknr. 200902210/1/M2
“In geschil is de vraag of de winkel gedurende zes dagen per week gedurende een vaste tijdseenheid van enkele uren is bemand. Alleen bij bevestigende beantwoording van die vraag is de winkel aan te merken als een geurgevoelig object in de zin van artikel 1 van de Wet geurhinder.”
- Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State 11 april 2012, zaaknr. 201109676/1/A1
“Ter zitting is toegelicht dat ongeveer zes keer per jaar workshops zullen worden gegeven aan groepen van maximaal 30 personen. In de aan de vrijstelling ten grondslag gelegde ruimtelijke onderbouwing is ook gesteld dat de workshops zes keer per jaar zullen plaatsvinden. De bedoeling is dat de workshops buiten worden gegeven en alleen bij slecht weer wordt uitgeweken naar de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing. Daarnaast wordt met de vrijstelling kunstenaars uit de omgeving de mogelijkheid geboden ter plaatse kunst te maken. Dat vindt ongeveer één keer per week plaats door maximaal zes kunstenaars. Ook zij werken uitsluitend bij slecht weer binnen in de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing. Daar zijn ook een kleine keuken en toilet voorzien die gebruikt worden door de kunstenaars, de deelnemers aan een workshop en wandelaars en fietsers die het perceel gebruiken als start-, rust- of eindpunt van een wandel- of fietsroute. Deze omstandigheden in aanmerking genomen moet geoordeeld worden dat het gebruik van de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing op kleine schaal zal plaatsvinden. De meeste activiteiten vinden buiten plaats. Derhalve zullen er geen personen gedurende een niet onaanzienlijk gedeelte van een tijdseenheid in de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing verblijven en zal de bebouwing dan ook niet op een met permanent verblijf vergelijkbare wijze worden gebruikt. De verleende vrijstelling maakt dan ook niet een zodanig gebruik van de bebouwing mogelijk dat deze uit geurgevoelige objecten bestaat als bedoeld in artikel 1 van de Wgv. Dat, naar gesteld, op het perceel ook feesten en partijen worden georganiseerd in de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing, wat daar ook van zij, leidt niet tot een ander oordeel.
Natuur onvoldoende beschermd door omgevingsvergunning
De bescherming van zeldzame en bedreigde flora en fauna krijgt nauwelijks aandacht bij aanvragen voor een omgevingsvergunning. In slechts 0,15 procent van de aanvragen voor zo’n vergunning (60 van de 40.000) is er volgens de aanvragers kans op schade voor bedreigde soorten. Dat blijkt uit een representatief onderzoek van Alterra Wageningen UR onder 108 gemeenten. Dit onderzoek is in maart 2012 uitgevoerd in opdracht van de Gegevensautoriteit Natuur.
Gemeenten blijken alleen in uitzonderingsgevallen te checken of de aanvraag voor een omgevingsvergunning op het punt van flora en faunabescherming ook klopt. In zeven gevallen is daadwerkelijke informatie over flora en fauna aangereikt en in drie gevallen is door Dienst Regelingen een Verklaring van Geen Bedenking afgeleverd.
De Gegevensautoriteit Natuur is verbaasd over het lage aantallen. “Ook zeldzame en bedreigde flora en fauna komt gelukkig nog op veel plaatsen voor in Nederland. De kans dat je daarmee in aanraking komt wanneer je een bouwproject start is reëel.” Bij de invoering van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) op 1 oktober 2010 was verwacht dat er bij enkele duizenden projecten per jaar kans op schade aan beschermde flora en fauna bestaat. Nader onderzoek is nodig naar de oorzaken van het grote verschil.
De Flora- en faunawet regelt de bescherming van ongeveer 400 (ernstig) bedreigde en zeldzame soorten flora en fauna en broedvogels in Nederland. Omdat ruim de helft van die soorten vooral buiten beschermde gebieden voorkomt moet er bijvoorbeeld bij (ver)bouwplannen en bij het kappen van oude bomen op gelet worden of die activiteiten schade doen. Initiatiefnemers moeten dan maatregelen treffen om de schade te vermijden of te compenseren. Om de administratieve last voor de burger te beperken, kunnen burgers tegelijk met de aanvraag voor een omgevingsvergunning sinds 1 oktober 2010 ook een Verklaring van Geen Bedenking aanvragen voor de Flora- en faunawet. De gemeente vraagt dan zo’n verklaring dan aan bij het rijk.
De gemeenten geven zelf aan dat hun geringe bemoeienis met beschermde flora en fauna bij de vergunningverlening komt doordat zij voor de Flora- en faunawet geen bevoegd gezag zijn. Tegelijkertijd zijn gemeenten wel van mening dat zij de burger goed moeten voorlichten over de aanwezigheid van beschermde flora en fauna. Iedereen heeft volgens de wet een zorgplicht voor beschermde flora en fauna. Het onderzoek toont aan dat bij de aanvraag en verstrekking van omgevingsvergunningen weinig invulling aan die zorgplicht wordt gegeven.
De Gegevensautoriteit Natuur onderzoekt of de oorspronkelijke ramingen bijgesteld moeten worden en of er een andere verklaring is voor het lage aantal aanvragen zoals gebrek aan kennis en informatie bij de burgers of gebrekkige handhaving. Ook gaat hij met de overheid in gesprek om na te gaan wat er verbeterd kan worden voor de gemeenten. Volgens hem biedt de stelselwijziging omgevingsvergunning waar nu aan gewerkt wordt daarvoor een gouden kans.
bron: http://www.gegevensautoriteitnatuur.nl/pages/nieuws.aspx
Geen ondergeschikte wijziging: van tijdelijke aanvraag naar normale
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 4 april 2012 geoordeeld dat het mondeling wijzigen van een tijdelijke bouwwerk in een bouwaanvraag voor permanent bouwwerk niet kan worden aangemerkt als een ondergeschikte wijziging.
2.2.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 26 oktober 2006 in zaak nr. 200602133/1), is het college gerechtigd, en in bepaalde gevallen zelfs verplicht, om de indiener van een bouwaanvraag in de gelegenheid te stellen zijn aanvraag zodanig te wijzigen of aan te vullen dat geconstateerde beletselen voor het verlenen van een bouwvergunning worden weggenomen. Indien de wijziging van de oorspronkelijke aanvraag echter zodanig ingrijpend is dat redelijkerwijs niet meer van hetzelfde bouwplan kan worden gesproken, dient daarvoor een nieuwe bouwaanvraag te worden ingediend.
De bouwaanvraag voor een tijdelijk bouwwerk is mondeling gewijzigd in een bouwaanvraag voor een permanent bouwwerk, welke wijziging schriftelijk is bevestigd bij de aan het besluit op bezwaar gehechte brief van [vergunninghouder]. De wijziging van de grondslag van de bouwaanvraag kan, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet worden aangemerkt als van ondergeschikte aard, nu het bouwwerk met deze wijziging een blijvende ruimtelijke uitstraling krijgt.Dat het uiterlijk van het bouwplan niet is gewijzigd en dat de Welstandscommissie het bouwplan heeft beoordeeld, doet daaraan niet af. Voor het gewijzigde bouwplan was een nieuwe bouwaanvraag en publicatie daarvan op de in artikel 41 van de Woningwet voorgeschreven wijze derhalve vereist.
Toetsing vergunningvrije gedeelte omgevingsvergunning
De rechtbank heeft op 13 maart 2012 in haar uitspraak aangegeven dat bij de beoordeling van de vraag of het vergunningplichtige deel van het bouwwerk voldoet aan de daaraan te stellen eisen, in het onderhavige geval heeft kunnen en moeten betrekken het vergunningvrije gedeelte van het bouwplan, doch uitsluitend voor zover dat voor de beoordeling van het vergunningplichtige deel noodzakelijk is.
16. Dit betekent dat verweerder bij de beslissing op de aanvraag ten onrechte het gehele bouwplan heeft betrokken in zijn toetsing aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2003. Hij had de vergunningvrije delen van dat bouwwerk alleen bij deze toetsing mogen en moeten betrekken voor zover noodzakelijk om te kunnen beoordelen of het vergunningplichtige deel voldoet aan de eisen die het Bouwbesluit daaraan stelt. Concreet betekent dit dat verweerder er niet aan voorbij kan en mag gaan dat – in het Bouwbesluit 2003 voorgeschreven – elementen als de voordeur/entree, de meterkast, een toilet wel in het bouwwerk aanwezig zijn, maar (al dan niet deels) in het vergunningvrije deel zijn voorzien. Deze toetsing kan en mag zich echter niet uitstrekken over elementen die voor de vergunbaarheid van het vergunningplichtige deel geen enkele betekenis hebben. In zoverre heeft verweerder zich in het thans betreden besluit ten onrechte uitgelaten over die onderdelen van het vergunningvrije deel van het bouwplan die voor de beoordeling van het vergunningplichtige deel niet noodzakelijk zijn. Indien en voor zover er te dien aanzien sprake zou zijn van strijd met de bouwvoorschriften, kan dat mogelijk wel aanleiding zijn voor (aankondiging van) een voornemen tot handhavend optreden.
Grond voor vernietiging van het bestreden besluit levert het voorgaande echter niet op. Er zijn immers geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder op grond van de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens, die het gehele bouwwerk betreffen, niet aannemelijk heeft kunnen achten dat het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, dus de vergunningplichtige delen van het bouwplan, aan het Bouwbesluit 2003 voldoet. Eiser heeft ook niet aangevoerd dat dit het geval is. Bovendien is eiser door deze wijze van toetsen niet geschaad in zijn positie als derde-belanghebbende bij onderhavige besluitvorming.
17. Het in rechtsoverweging 15 geformuleerde uitgangspunt betekent verder dat verweerder in het bestreden besluit het bouwwerk terecht in zijn geheel, dus inclusief vergunningvrije delen, heeft betrokken bij de vraag of het bouwplan al dan niet in strijd is met redelijke eisen van welstand als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo. Gelet op hetgeen in rechtsoverweging 10 is vastgesteld, kan een zinvolle welstandstoets op de voet van artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo van het vergunningplichtige deel in het onderhavige geval, gelet op aard en strekking van dit voorschrift, immers alleen plaatsvinden indien het gehele bouwwerk daarbij wordt betrokken.
Deze uitspraak werd vergezeld van een naschrift.
In art. 2.1, eerste lid, Wabo is neergelegd voor welke activiteit een omgevingsvergunning is vereist. Ingevolge dit artikelonderdeel onder a is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk. In de hierboven samengevatte Roermondse uitspraak hadden niet eisers de bouwvergunningplichtige werkzaamheden uitgevoerd of laten uitvoeren zonder een vergunning aan te vragen, maar was dit de vorige eigenaar van het perceel geweest. Mitsdien waren die eisers naar het oordeel van de rechtbank niet aan te merken als overtreders van het in art. 2.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Wabo, neergelegde verbod.
Het toetsingskader voor bouwen is vervat in art. 2.10 Wabo en vergelijkbaar met art. 44 Woningwet (oud). Het toetsingskader voor gebruik in ruime zin voor gronden en bouwwerken (art. 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, Wabo) is neergelegd in art. 2.12 Wabo. De ABRS heeft uitgesproken op 29 juni 2011, LJN: BQ9624 dat dit algemene gebruiksverbod niet van toepassing is op het op grond van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) tot stand gekomen bestemmingsplan. Hieraan refereert de Roermondse uitspraak.
De in art. 2.12 Wabo neergelegde mogelijkheden waren ook al verspreid opgenomen in de WRO en de Wro: binnenplanse ontheffing (art. 3.6 Wro), buitenplans afwijken bij kruimelgevallen (art. 3.23 Wro jo. Bro) en afwijken door middel van een goede ruimtelijke onderbouwing (art. 3.10 Wro: het oude projectbesluit). Een verschil is dat onder de Wabo geen sprake meer is van een vergunning èn een ontheffing, maar slechts van één omgevingsvergunning. De Zwolse uitspraak is opgenomen als voorbeeld van de toepassing van een omgevingsvergunning waarin sprake is van afwijking van een bestemmingsplan door een goede ruimtelijke onderbouwing.
Ingevolge art. 2.3, tweede lid, van het Bor is in afwijking van art. 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo geen omgevingsvergunning vereist voor de categorieën gevallen in art. 2, gelezen in samenhang met art. 5 en art. 8 van bijlage II. In de uitspraak van 9 maart oordeelt de Utrechtse rechtbank dat voor de berekening van de totale oppervlakte van de vergunningvrije bijbehorende bouwwerken de oppervlakte van de gehele aanbouw, inclusief de voormalige bijkeuken, in aanmerking dient te worden genomen.
In de uitspraak van 13 maart wijst de Rb. Utrecht op de, ten opzichte van de Wro en Woningwet, verruimde mogelijkheden voor vergunningvrij bouwen waarbij de Wabo het nieuw verzamelbegrip “bijbehorend bouwwerk” heeft geïntroduceerd (zie voor jurisprudentie inzake dit begrip onder meer Voorzieningenrechter Rb. Haarlem 28-03-2011, LJN: BP9458 en ABRS 13-7-2011, LJN: BR1462) en de eis is geschrapt dat het moet gaan om een bestaand hoofdgebouw (zie ook Voorzieningenrechter Rb. ’s-Hertogenbosch LJN: BP5782.) Van bepalend belang voor de (on)mogelijkheden van vergunningvrij bouwen is thans, aldus de Utrechtse rechtbank, (mede) van belang wat onder “oorspronkelijk hoofdgebouw” moet worden verstaan. Wanneer een aan- of uitbouw gelijktijdig wordt opgericht met het hoofdgebouw is dus van belang dat duidelijkheid bestaat over de vraag of het deel uitmaakt van het oorspronkelijk hoofdgebouw. De Rb. verwijst op dit punt naar de Nota van toelichting bij het Bor.
Het belang van de Utrechtse uitspraak van 13 maart is vooral erin gelegen dat naar het oordeel van deze Rb. verweerder bij de beoordeling van de vraag of het vergunningplichtige deel van het bouwwerk voldoet aan de daaraan te stellen eisen, in het onderhavige geval heeft kunnen en moeten betrekken het vergunningvrije gedeelte van het bouwplan, doch uitsluitend voor zover dat voor de beoordeling van het vergunningplichtige deel noodzakelijk is. Wat betreft de toets aan het Bouwbesluit heeft verweerder ten onrechte het gehele bouwplan betrokken maar een zinvolle welstandstoets kan alleen plaatsvinden indien het gehele bouwwerk daarbij wordt betrokken.
Bij onlosmakelijkheid heeft de uitgebreide procedure voorrang
Op 19 maart 2012 heeft de rechtbank Almelo de volgende uitspraak gedaan. In de situatie dat sprake is van onlosmakelijk met elkaar verbonden activiteiten en voor de ene activiteit de uitgebreide voorbereidingsprocedure is voorgeschreven en voor de andere activiteit de reguliere voorbereidingsprocedure, geldt dat de uitgebreide voorbereidingsprocedure voorrang heeft. Gelet op Tegelen-jurisprudentie heeft verweerder in dit geval niet kunnen toetsen aan het in werking getreden (maar nog niet onherroepelijke) bestemmingsplan.
Op zichzelf is juist het standpunt van verweerder dat een aanvraag om omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen bij strijdigheid met het bestemmingsplan tevens dient te worden aangemerkt als een aanvraag om vergunning voor de activiteit “gebruiken in strijd met het bestemmingsplan”. Dit is bepaald in artikel 2.10, lid 2 van de Wabo. Voorts is juist het standpunt van verweerder dat een omgevingsvergunning voor een “kruimelgeval” als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a sub 2 van de Wabo dient te worden voorbereid met de reguliere voorbereidingsprocedure. Niet mag echter uit het oog worden verloren dat de activiteit “gebruiken in strijd met het bestemmingsplan” in dit geval onlosmakelijk is verbonden met de activiteiten “bouwen” en “wijzigen van een monument” als bedoeld in artikel 2.7 van de Wabo.
In de situatie dat sprake is van onlosmakelijk met elkaar verbonden activiteiten en voor de ene activiteit de uitgebreide voorbereidingsprocedure is voorgeschreven en voor de andere activiteit de reguliere voorbereidingsprocedure, geldt dat de uitgebreide voorbereidingsprocedure voorrang heeft. Zou dit anders zijn, dan ontstaat de merkwaardige situatie dat in het ene geval rechtstreeks beroep openstaat en het andere geval eerst bezwaar moet worden gemaakt. Dit is onwenselijk. Dit betekent dat verweerder het besluit van 24 januari 2012 ten onrechte met de reguliere procedure heeft voorbereid.
Ten aanzien van de Tegelen jurisprudentie.
Het bestemmingsplan “C.T. Storkstraat 35” is door de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak bij uitspraak van 7 februari 2012 geschorst. Hoewel deze schorsing op zichzelf geen terugwerkende kracht heeft, zodat voornoemd bestemmingsplan ten tijde van het nemen van het besluit van 24 januari 2012 in beginsel als geldend recht moest worden aangemerkt, valt niet uit te sluiten dat dit anders is in de situatie dat voorafgaand aan de besluitvorming een verzoek om voorlopige voorziening is ingediend dat strekt tot schorsing van het besluit tot vaststellen van het bestemmingsplan. Die situatie doet zich hier voor. Het door verzoekers ingediende verzoek tot schorsing van het vaststellingsbesluit dateert van 23 december 2011 en beoogde te voorkomen dat verweerder toetst aan een bestemmingsplan dat wel in werking is getreden maar nog niet onherroepelijk is geworden. Het past verweerder dan niet om de uitspraak van de Voorzitter niet af te wachten en de vergunning op basis van het nieuwe bestemmingsplan te verlenen. De voorzieningenrechter wijst in dit verband op de zogenoemde “Tegelen-jurisprudentie” (uitspraak van de Afdeling van 21 december 1999, LJN AA4296), welke jurisprudentie ook onder de Wet ruimtelijke ordening zijn gelding heeft behouden (zie de uitspraak van de Afdeling van 24 februari 2011, LJN BP6324). Kort gezegd moet betekenis worden gehecht aan de rechtszekerheid van belanghebbenden die tegen de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen willen opkomen. Indien na de inwerkingtreding van het nieuwe — nog niet in rechte onaantastbare — bestemmingsplan een aanvraag om vergunning wordt ingediend of ingewilligd, moet aan deze belanghebbenden een behoorlijke en praktisch bruikbare mogelijkheid worden geboden om het nieuwe bestemmingsplan alsnog door de voorzitter van de Afdeling buiten werking te doen stellen. Indien de bedoelde belanghebbende, tegelijk of nagenoeg tegelijk met het indienen van een zienswijze tegen de ontwerpvergunning, een verzoek om schorsing van het vaststellingsbesluit indient bij de voorzitter van de Afdeling, ligt het in de rede dat verweerder niet op de aanvraag beslist alvorens de voorzitter zich over de gevraagde schorsing heeft uitgesproken.
Alsdan kan het peilmoment voor het toepasselijke recht niet worden gelegd op een vroeger tijdstip dan dat waarop de voorzitter omtrent de schorsing van het vaststellingsbesluit heeft beslist. Schorst de voorzitter (alsnog) het besluit, dan geldt het oude bestemmingsplan als toetsingskader. Toegespitst op het hier aan de orde zijn geval, kan niet worden uitgesloten dat verweerder diende te toetsen aan het bestemmingsplan “Tuindorp ’t Lansink”. Binnen dit bestemmingsplan is de hotelfunctie op het perceel niet mogelijk gemaakt. Van een “kruimelgeval” kan dan niet meer worden gesproken.
Onlosmakelijke samenhang
Een artikel van Pjotr Lanting van Wieringa Advocaten.
Uit tijd en kostenoverwegingen kiest een aanvrager van een omgevingsvergunning er soms voor om bepaalde vergunningsplichtige activiteiten binnen een project nog niet binnen een aanvraag om een omgevingsvergunning te betrekken. Een project wordt dan opgeknipt in verschillende aanvragen. Dit is echter niet mogelijk wanneer het project feitelijk slechts betrekking heeft op één ondeelbare activiteit, zo blijkt uit artikel 2.7 Wabo.
Een voorbeeld. De verbouwing van een rijksmonument betreft twee vergunningsplichtige activiteiten. Ten eerste is er sprake van ‘bouwen' in de zin van artikel 2.1 lid 1 sub a. Wabo, ten tweede is er sprake van ‘het in enig opzicht wijzigen van een beschermd monument' in de zin van artikel 2.1 lid 1 sub f. Wabo. Hoewel er sprake is van twee vergunningsplichtige activiteiten, zijn deze echter ‘onlosmakelijk samenhangend', zodat opknippen niet mogelijk is. Er dient één omgevingsvergunning te worden aangevraagd, die betrekking heeft op beide activiteiten. Is de aanvraag onvolledig, bevat deze bijvoorbeeld niet de aanvraag voor de wijziging van het monument, dan dient de aanvrager op grond van artikel 4.5 Awb door het bevoegd gezag in de gelegenheid te worden gesteld om de aanvraag aan te vullen.
In de praktijk is er soms discussie over wanneer er sprake is van onlosmakelijke samenhang. Uit Kamerstukken II 2006/07, 30844, nr. 8 blijkt: ‘Van onlosmakelijke samenhang tussen één of meer activiteiten is sprake als de activiteiten zien op dezelfde handeling. Het gaat dan om een activiteit die tegelijkertijd ook aangemerkt moet worden als een andere activiteit als omschreven in de artikelen 2.1 of 2.2 van de Wabo.'
Er is bijvoorbeeld duidelijk geen onlosmakelijke samenhang tussen activiteiten bij een omgevingsvergunningsaanvraag voor een plan om een boom te kappen en ter plaatse een uitbouw te bouwen. Het betreft een project bestaande uit verschillende activiteiten. Naar mijn mening is er duidelijk wel sprake van onlosmakelijke samenhang wanneer een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor het gebruiken van een gebouw in strijd met het bestemmingsplan (artikel 2.1 lid 1 sub c. Wabo) en het brandveilig gebruiken van een gebouw (artikel 2.1. lid 1 sub d. Wabo). De aanvraag betreft immers één activiteit: het gebruiken van een gebouw. Jurisprudentie zal moeten uitwijzen welke activiteiten onlosmakelijk zijn en welke niet.
Bestaande parkeerbehoefte in zekere mate objectief vaststellen
Op 7 maart 2012 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in haar uitspraak aangegeven dat ook met een bestaande parkeerbehoefte rekening mag worden gehouden indien deze is betrokken in een niet vergunde situatie. Wel dient de bestaande parkeerbehoefte in zekere mate objectief vastgesteld te kunnen worden om toekomstige parkeerbehoefte daarmee te kunnen verrekenen.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 29 maart 2006 in zaak nr. 200504312/1; www.raadvanstate.nl) dient bij vervangende nieuwbouw slechts rekening te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan ten opzichte van de reeds bestaande parkeerbehoefte vanwege het te slopen pand.
Voor verrekening van de parkeerbehoefte van de tot medio 2006 als moskee gebruikte fabriekshal met die van het bouwplan is, anders dan de vereniging betoogt, geen plaats. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, bestaat geen grond voor het oordeel dat als algemene regel slechts rekening mag worden gehouden met een bestaande parkeerbehoefte indien deze is betrokken in een vergunde situatie, waar in dit geval geen sprake van is nu aan de vestiging van de moskee in de fabriekhal geen vergunning ten grondslag lag. De bestaande parkeerbehoefte dient in zekere mate objectief vastgesteld te kunnen worden om de toekomstige parkeerbehoefte daarmee te kunnen verrekenen. (r.o. 2.5.2)
Aanhouding en vaststelling besluit artikel 3.2 tot en met 3.6 Wabo
Een artikel van Gabriel Bertinus op zijn weblog
Onder bepaalde omstandigheden kan het bevoegd gezag de aanvraag omgevingsvergunning aanhouden. Betreft de aanvraag een bouw- of aanlegactiviteit dan moet de aanvraag op grond van artikel 3.2 Wabo worden aangehouden: 1) als er geen grond is om de vergunning te weigeren, 2) maar voor het gebied waarin de activiteit zal worden verricht voor de dag van ontvangst van de aanvraag:
- Een voorbereidingsbesluit ex artikel 3.7 Wro in werking is gereden;
- Een ontwerp-bestemmingsplan (inpassingspan of beheersverordening) ter inzage is gelegd;
- Een verklaring van rijk of provincie bekendgemaakt is als bedoeld in artikel 4.1, vierde lid 4 en
artikel 4.3, vierde lid een bestemmingsplan is vastgesteld;
- Een bestemmingsplan bekend is gemaakt.
Op grond van artikel 3.5 Wabo moet de aanvraag ook worden aangehouden als een exploitatieplan is vastgesteld, maar nog niet onherroepelijk is. De termijn waarbinnen het bevoegd gezag de beslissing op de aanvraag op grond van wettelijk regels (o.a. artikel 3.3 Wabo) (Wabo artikel 2.1, eerste lid, onder a of b, Awb 3:18, artikel 4.1, vijfde lid, of 4.3, vierde lid Wro, artikel 2.1, eerste lid, onder b, die is voorgeschreven met toepassing van artikel 3.7, derde lid Wro, artikel 3.7, vijfde of zesde lid Wro, artikel 3.8, eerste lid, onder e Wro, artikel 3.8, derde, vierde of zesde lid Wro, artikel 4.1, vijfde lid, of 4.3, vierde lid Wro, artikel 4.1 Wro) kan opschorten en er geen gronden zijn de vergunning te weigeren.
Wabo 3.3.4 Indien de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of b, het bouwen van een bouwwerk, het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening of voorbereidingsbesluit is bepaald, houdt het bevoegd gezag, in afwijking van artikel 3.9, eerste lid, het bevoegd gezag beslist op de aanvraag om een omgevingsvergunning binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag, onderscheidenlijk artikel 3:18 van de Algemene wet bestuursrecht, indien het een besluit op aanvraag betreft, neemt het bestuursorgaan het besluit zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk zes maanden na ontvangst van de aanvraag.
De beslissing op een aanvraag omgevingsvergunning wordt tevens aangehouden, indien er geen grond is de vergunning te weigeren en de aanvraag een activiteit betreft in een gebied waarvoor vóór de datum van ontvangst van de aanvraag een besluit tot aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht is bekendgemaakt en waarvoor nog geen ter bescherming daarvan strekkend bestemmingsplan of beheersverordening geldt.
Aanhouding en vaststelling van dat besluit
In de Wro is bepaald dat de gemeenteraad binnen twaalf weken na de termijn van de ter inzage legging van een ontwerp over een bestemmingsplan beslist over de vaststelling van dat besluit. Door omstandigheden kan dat soms langer duren. Dit heeft echter geen directe gevolgen voor de rechtsgeldigheid van het daarna te nemen besluit. De twaalf weken termijn is in die zin dus een termijn van orde. Wel kan overschrijding van de termijn gevolgen hebben voor de procedure van aanvraag omgevingsvergunning: de aanhoudingsplicht ex art. 3.18 Een vergelijkbare regeling is opgenomen in art. 3.3 Wabo. Ook het tussentijds vervallen van de aanhoudingsplicht bij het niet tijdig vaststellen of bekendmaken van het bestemmingsplan zal onder de werking van de Wabo worden voortgezet (art. 3.3 lid 2 Wabo).
Wanneer ten tijde van het indienen van een aanvraag om bouwvergunning geen grond bestond om de vergunning te weigeren en (voor zover hier van belang) een voorbereidingsbesluit in werking is getreden dan wel een bestemmingsplan in ontwerp ter inzage is gelegd, geldt dat de beslissing op de aanvraag om bouwvergunning moet worden aangehouden. Als binnen een jaar na de inwerkingtreding van het voorbereidingsbesluit een bestemmingsplan in ontwerp ter inzage is gelegd, loopt de betreffende aanhoudingsplicht in beginsel ook gedurende de verdere voorbereidingsprocedure van het bestemmingsplan door.
Als hoofdregel geldt dat de aanhoudingsplicht eindigt op het moment dat het nieuwe (in voorbereiding zijnde) bestemmingsplan in werking treedt. Aanvragen om bouwvergunning moeten op dat moment worden getoetst aan het nieuwe bestemmingsplan en bij strijd daarmee worden geweigerd. Bij deze tussentijdse beëindiging van de aanhoudingsplicht moeten de aanvragen om bouwvergunning worden afgedaan in overeenstemming met het op dat moment geldende recht. Dat betekent daarom dat toetsing plaatsvindt aan de oude (nog geldende) bestemmingsplannen. Op basis daarvan kan geen weigering van de vergunning plaatsvinden. Het aanhouden impliceert immers dat er voor deze bouwplannen ten tijde van het indienen van de aanvraag geen weigeringgrond bestond. Er geldt een aanhoudingsplicht zolang exploitatieplan niet onherroepelijk is (art. 3.5, jo 2.1, lid 1 onder a en b); de aanhouding geldt ook ingeval van een vernietigd exploitatieplan (aanhouding loopt door, ongeacht of bestemmingsplan inmiddels onherroepelijk is geworden); aanhouding omgevingsvergunning kan wel worden doorbroken (als kostenverhaal is verzekerd).
Voor presentatie over o.a. aanhouding stuur mij een mail met als titel “Wabo 1” bandsconsultancy@kpnmail.nl Mr. P.J.J. van Buuren, mr. A.A.J de Gier, mr. J. Robbe. Hoofdlijnen ruimtelijk bestuursrecht. 2009. Kluwer. Pag. 143.
Vergunnen van milieuneutrale wijziging
Een artikel van Fanca Damen van haar weblog
Door de vele wijzigingen in de wet- en regelgeving worden we nogal eens geconfronteerd met specifieke vragen over hoe oude en nieuwe wet- en regelgeving zich ten opzichte van elkaar verhouden. Een interessante vraag rees in de situatie waarbij voor het oprichten van een bepaalde inrichting vóór 1 oktober 2010 een milieuvergunning was aangevraagd (welke vergunning ook is verleend), terwijl ná 1 oktober 2010 een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen was aangevraagd.
In de desbetreffende situatie rees de vraag of voor het vergunnen van een milieuneutrale wijziging is vereist dat de onderliggende vergunning in werking is getreden. Daarbij is het van belang om te weten dat tegen de milieuvergunning beroep was ingesteld.
De desbetreffende milieuvergunning was, zoals reeds uit het voorgaande blijkt, verleend op basis van de oude Wet milieubeheer (zoals deze gold vóór 1 oktober 2010). Deze vergunning treedt evenwel pas in werking nadat de bijbehorende bouwvergunning is verleend. Dit vloeit voort uit artikel 20.8 van de oude Wet milieubeheer:
“In afwijking van artikel 20.3, eerste lid, eerste volzin, treedt een besluit als bedoeld in artikel 20.6, eerste lid, in gevallen als bedoeld in artikel 8.5, tweede lid, – waarin de vergunning betrekking heeft op het oprichten of veranderen van een inrichting, dat tevens is aan te merken als bouwen in de zin van de Woningwet – niet eerder in werking dan nadat de betrokken bouwvergunning is verleend.”
In onderhavige situatie is ná 1 oktober 2010 een omgevingsvergunning aangevraagd voor de activiteit bouwen. De vraag is nu of reeds een (kleine) wijziging aangebracht kan worden in de verleende milieuvergunning en dit in de omgevingsvergunningaanvraag opgenomen kan worden als een milieuneutrale wijziging. De rechtsvraag die daarbij speelt is of een milieuvergunning die nog niet in werking is getreden – omdat er nog geen ‘bouwvergunning’ is verleend – via een milieuneutrale wijziging kan worden veranderd.
Het antwoord op deze vraag is te lezen in artikel 3.10 lid 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (in het vervolg: de Wabo). Uit dit artikel blijkt namelijk dat sprake moet zijn van een verleende, geldende vergunning. Gelet op artikel 20.8 van de oude Wet milieubeheer is de milieuvergunning nog niet in werking getreden. Er is immers nog geen ‘bouwvergunning’ (in casu een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen) verleend. Nu de milieuvergunning nog niet in werking is getreden, is geen sprake van een geldende milieuvergunning en kan geen vergunning voor een milieuneutrale wijziging worden aangevraagd. Overigens kan de milieuvergunning – als deze onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1 lid 1 van de Wabo van kracht en onherroepelijk is geworden – thans op grond van artikel 1.2a Invoeringswet Wabo als omgevingsvergunning ex artikel 2.1 lid 1 sub e Wabo aangemerkt worden.
In aanvulling op het voorgaande wordt nog opgemerkt dat het regime op grond van de Wabo op deze wijze strenger is dan het regime van de Wet milieubeheer, zoals deze gold vóór 1 oktober 2010. In artikel 8.19 Wet milieubeheer ontbrak namelijk de eis van een geldende vergunning. De melding kon destijds worden gedaan op basis van een vergunning die niet in werking was getreden.
Projecten in strijd met bestemmingsplan versus omgevingsvergunning
Een artikel van mw. mr. Franca Damen van haar juridisch weblog.
Projecten die in strijd zijn met het bestemmingsplan kunnen wettelijk gezien toch mogelijk worden gemaakt. De betreffende wet- en regelgeving is de laatste jaren evenwel diverse malen gewijzigd. De vraag is hoe voorheen verleende vrijstellingen van een bestemmingsplan moeten worden gezien binnen het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Op deze vraag wordt in het navolgende ingegaan. Alvorens daar op in te gaan wordt eerst een korte toelichting gegeven op de oude wet- en regelgeving hieromtrent.
Oude wet- en regelgeving
Tot 1 juli 2008 gold de Wet op de Ruimtelijke Ordening (in het vervolg: WRO). Voor projecten die in strijd waren met het bestemmingsplan kon op grond van artikel 19 WRO vrijstelling van het bestemmingsplan worden verleend. Daarbij kon onderscheid worden gemaakt tussen een zogenoemde zware vrijstelling (artikel 19 lid 1 WRO), lichte vrijstelling (artikel 19 lid 2 WRO) en kruimelvrijstelling (artikel 19 lid 3 WRO).
Op 1 juli 2008 is een nieuwe Wet ruimtelijke ordening (in het vervolg: Wro) in werking getreden. Een project dat in strijd was met het bestemmingsplan kon vanaf dat moment mogelijk worden gemaakt middels een projectbesluit ex artikel 3.10 van de Wro. Behalve dat het onderscheid tussen de verschillende vormen van vrijstelling is komen te vervallen en dat van het college van gedeputeerde staten geen verklaring van geen bezwaar meer was vereist voor vrijstelling als bedoeld in artikel 19 lid 1 WRO, is het projectbesluit inhoudelijk hetzelfde als de vroegere projectvrijstelling.
Inwerkingtreding Wabo en overgangsrecht
Vervolgens is op 1 oktober 2010 de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (in het vervolg: Wabo) in werking getreden. Met de invoering van deze wet is een groot aantal wetten gewijzigd, waaronder ook de Wet ruimtelijke ordening. Het projectbesluit als zelfstandige rechtsfiguur is daarmee komen te vervallen en is opgegaan in de omgevingsvergunning. Meer specifiek gaat het daarbij om een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘strijdig planologisch gebruik’ zoals bedoeld in artikel 2.1 lid 1 sub c Wabo.
De vraag is nu hoe voorheen verleende vrijstellingen van het bestemmingsplan gezien moeten worden binnen het kader van de Wabo. Deze vraag wordt nog interessanter indien daarbij ook wordt ingegaan op de bijbehorende vergunning voor het bouwen van het betreffende project. Tot 1 oktober 2010 was de procedure voor de verlening van een bouwvergunning opgenomen in de Woningwet. Na inwerkingtreding van de Wabo is de bouwvergunning op grond van de Woningwet evenwel komen te vervallen en opgenomen in de Wabo. Sedertdien is sprake van een zogenaamde omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’ zoals bedoeld in artikel 2.1 lid 1 sub a Wabo.
Tot 1 oktober 2010 werden op grond van artikel 46 lid 6 van de Woningwet de beslissing omtrent een aanvraag om bouwvergunning en de beslissing omtrent een planologisch afwijkingsbesluit – voor zover dat afwijkingsbesluit ziet op het bouwen waarop de aanvraag om bouwvergunning betrekking heeft – voor de mogelijkheid van beroep als één besluit aangemerkt. In de situatie dat voor 1 oktober 2010 wel een planologisch afwijkingsbesluit is aangevraagd en/of genomen terwijl de samenhangende aanvraag om bouwvergunning niet voor die datum is ingediend, leidt dat tot de situatie dat een dergelijk besluit nooit onherroepelijk kan worden, aangezien na 1 oktober 2010 nooit meer een aanvraag om bouwvergunning kan worden ingediend (zie ook Kamerstukken II 2010/11, 32 588, nr. 3). De bouwvergunning is immers in de omgevingsvergunning geïntegreerd. Het gevolg is dat er ook geen beslissing op een zodanige aanvraag kan zijn, zodat het planologisch afwijkingsbesluit nimmer appellabel en onherroepelijk kan worden.
In de oorspronkelijk Invoeringswet van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht was hiervoor geen voorziening getroffen. Het overgangsrecht bevatte dus een hiaat voor deze separate planologische afwijkingsbesluiten voor bouwactiviteiten die niet procedureel zijn gecombineerd met de eveneens voor de bouw vereiste bouwvergunning. Per 31 december 2011 is voor dit hiaat in de wetgeving alsnog overgangsrecht opgenomen in de Invoeringswet Wabo (zie Staatsblad 2011, 675). Het gaat daarbij om de twee overgangsrechtelijke bepalingen zoals deze zijn opgenomen in artikel 1.5a en artikel 1.5b van de Invoeringswet Wabo.
Artikel 1.5a Invoeringswet Wabo bevat aanvullend overgangsrecht met betrekking tot beslissingen omtrent een aanvraag om een aantal categorieën besluiten uit de Wet ruimtelijke ordening – waaronder het projectbesluit ex artikel 3.10 Wro – zoals deze luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wabo. Een beslissing omtrent een dergelijke aanvraag die op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1 van de Wabo is genomen, maar nog niet onherroepelijk is – voor zover die beslissing ziet op een bouwactiviteit waarvoor onmiddellijk voor dat tijdstip nog geen aanvraag om bouwvergunning als bedoeld in artikel 40 van de Woningwet (oud) is ingediend – gelijkgesteld met een beslissing ex artikel 1.1 lid 1 Wabo met betrekking tot de eerste fase van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.5 Wabo voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 sub c Wabo (omgevingsvergunning voor de activiteit ‘planologisch strijdig gebruik’).
Concreet betekent dit dat een beslissing op een aanvraag om een projectbesluit ex artikel 3.10 Wro – of een andere beslissing omtrent een aanvraag om een categorie zoals opgenomen in artikel 1.5a Invoeringswet Wabo – wordt gelijkgesteld met een omgevingsvergunning eerste fase zoals bedoeld in artikel 2.5 Wabo voor de activiteit ‘planologisch strijdig gebruik’. Overigens gaat het daarbij om zowel een positieve als een negatieve beslissing op een dergelijke aanvraag. Voor separate vrijstellingen krachtens artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening is in artikel 1.5b Invoeringswet Wabo een vergelijkbare regeling opgenomen. De vrijstelling kan nu worden gezien als een beschikking voor een omgevingsvergunning eerste fase.
Voor de activiteit ‘bouwen’ (artikel 2.1 lid 1 sub a Wabo) zou vervolgens een beschikking voor een omgevingsvergunning tweede fase verleend kunnen worden. Een beslissing omtrent een planologisch afwijkingsbesluit die, zoals hiervoor reeds is toegelicht, is gelijkgesteld met een beschikking voor een omgevingsvergunning eerste fase, moet voor de mogelijkheid van bezwaar en beroep als één besluit worden aangemerkt samen met een beschikking voor de tweede fase van die omgevingsvergunning. Deze regeling is ontleend aan artikel 46 lid 6 van de Woningwet (oud), op grond waarvan de beslissing omtrent een aanvraag om bouwvergunning en de beslissing omtrent een planologisch afwijkingsbesluit voor de mogelijkheid van beroep als één besluit werden aangemerkt.
Binnen dit kader wijs ik graag nog op een uitspraak van rechtbank Haarlem van 28 december 2011 (LJN BU6749) waar reeds werd vooruitgelopen op het nieuwe overgangsrecht in de Invoeringswet Wabo.
Conclusie
Met de gelijkstelling van de in artikel 1.5a en artikel 1.5b Invoeringswet Wabo bedoelde separate beslissingen omtrent planologische afwijkingsbesluiten met een beschikking voor een omgevingsvergunning eerste fase voor de activiteit ‘planologisch strijdig gebruik’ (artikel 2.1 lid 1 sub c Wabo) wordt bereikt dat dergelijke afwijkingsbesluiten ook onder de Wabo hun waarde behouden. De houders van dergelijke besluiten zullen dus geen rechten verliezen, zij het dat deze pas kunnen worden geëffectueerd vanaf de inwerkingtreding van artikel 1.5a en artikel 1.5b Invoeringswet Wabo.

