Systematiek Wabo gaat op zijn kop: onlosmakelijke samenhang wordt deels losgelaten
Een artikel van Max Seelen van Patres.
Als je 10 woningen wil bouwen in afwijking van het bestemmingsplan, dan bestaat jouw bouwplan uit 2 activiteiten in de zin van de Wabo: afwijken van het bestemmingsplan en bouwen.
Deze activiteiten worden feitelijk tegelijkertijd uitgevoerd en hiervoor kun je op dit moment niet 2 deelvergunningen aanvragen. Dit alles moet in 1 omgevingsvergunning worden geregeld, aldus artikel 2.7 Wabo. Het gaat hier dus om de ‘onlosmakelijke samenhang’ van bepaalde activiteiten.
Begrip ‘onlosmakelijke samenhang’
Gelukkig kennen we bij onze wetgeving tekst & toelichting. Hierin kun je lezen wat nou eigenlijk de bedoeling is van het omslachtig geschreven artikel 2.7 Wabo. Kennelijk ziet de wetgever dit nu ook in. In de Wabo (artikel 1.1) wordt daarom een definitie van het begrip ‘onlosmakelijke samenhang’ opgenomen.
Onlosmakelijke samenhang deels losgelaten
Maar dat is niet het enige wat in de Wabo gaat veranderen. De systematiek van de Wabo wordt voor een belangrijk deel op zijn kop gezet. Zo wordt de huidige onlosmakelijke samenhang voor een deel losgelaten.
De activiteit ‘afwijken van het bestemmingsplan’ wordt namelijk losgeweekt van de ‘onlosmakelijke samenhang’. Hiervoor kun je dus straks een deelvergunning aanvragen. Het grote voordeel van deze wetswijziging is dat er een echte fasering kan worden bereikt in de besluitvorming over je project. Je kunt dan – vooruitlopend op de aanvraag van de vergunning om te bouwen - een deelvergunning en een rechtstitel verkrijgen om de gronden alvast bouwrijp te maken. En als je voor het bouwrijp maken ook alvast bomen moet kappen of een uitrit moet aanleggen, dan vraag je hiervoor ook een vergunning aan. Dat verandert natuurlijk niet.
Maar we kennen nu toch ook faseringsmogelijkheden? Ja, dat klopt (artikel 2.5 Wabo). Alleen je kunt na een vergunningverlening eerste fase pas met het bouwrijp maken (afwijken van het bestemmingsplan) beginnen wanneer de vergunning tweede fase (bouwen) in werking is getreden.
Extra weigeringsgrond bouwen
Inherent aan de bovenstaande wijziging van de onlosmakelijke samenhang, is een aanvulling van de weigeringsgronden voor een vergunning om te bouwen (artikel 2.10 Wabo). Die vergunning kan straks niet geweigerd worden wanneer er een vergunning is verleend voor het gebruik in strijd met het bestemmingsplan (planologisch afwijkingsbesluit). Die vergunning wordt dus een toetsingskader voor de vergunning om te bouwen.
Het is overigens niet de bedoeling om van het planologisch afwijkingsbesluit een algemeen toetsingskader te maken voor toekomstige niet uitgekristalliseerde bouwplannen. Het moet dus gaan om concrete plannen (maar ja, wat is algemeen en wat is concreet?).
Maar wanneer eenmaal de vergunning om af te wijken van het bestemmingsplan ten behoeve van de 10 woningen is verleend, dan mag je de woningen stapsgewijs bouwen door meerdere vergunningen voor het bouwen aan te vragen. Bijvoorbeeld na 1 jaar 3 woningen en na 2 jaar de overige 7 woningen. Deze mogelijkheid bestond onder het oude recht ook (ABRvS 22 juni 2011, AB 2011/194).
Verschil is (waarschijnlijk) wel, dat men niet meer bij iedere vergunning om te bouwen, ook het planologisch afwijkingsbesluit ter discussie kan stellen. Hoewel juridisch verklaarbaar, kon dit vreemd genoeg onder het oude recht wel.
Handigheidje
In het verlengde van dit alles, introduceert de wetgever nog een handigheidje (artikel 2.5a Wabo). Stel, je hebt al een vergunning om te wijken van het bestemmingsplan in huis. Een tijdje later vraag je een vergunning om te bouwen aan, maar door een aanpassing van het Bouwbesluit of veranderde marktomstandigheden past de beoogde vergunning om te bouwen niet meer binnen de kaders van je planologisch afwijkingsbesluit. In dat geval mag je ook het planologisch afwijkingsbesluit aanpassen (dat worden nog leuke discussies hoever je hiermee mag gaan).
Bron: Kamerstukken 33 135 en ‘Het wetsvoorstel voor het permanent maken van de Chw nader beschouwd’, TBR 2012/63
Wie zwijgt in een bestemmingsplanprocedure, stemt toe.
Een artikel van Max Seelen van Patres.
Belangenafweging in een ‘keurslijf’
Zoals bekend, weegt het handhavingsbelang voor onze hoogste bestuursrechter nagenoeg altijd zwaarder dan de belangen van de overtreder. Vaak zelfs meer dan een gedogend bestuursorgaan lief is.
Alleen wanneer er sprake is van (hele) bijzondere omstandigheden komt de overtreder weg met zijn overtreding. Denk hierbij onder meer aan concreet zicht op legalisatie of een incidentele en – qua ernst – te verwaarlozen overtreding.
Enfin, handhaven is dus een kwestie van een gedegen afweging van alle voors en tegens, maar wel in een ‘keurslijf’. Toch niet altijd eenvoudig.
Eigen schuld
Wat je hierbij nu ook mag afwegen, is de vraag of de overtreder zichzelf in die benarde positie heeft gebracht. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een wijziging van de bestemming van zijn perceel, terwijl hij dit - achteraf gezien - toch niet zo’n goed idee vindt en het overgangsrecht voor hem ook geen oplossing biedt.
Wanneer hij hiertegen niets heeft ondernomen, dan kun je hem dit ‘stilzitten’ in de handhavingsprocedure tegenwerpen. Dan had hij maar gebruik moeten maken van de rechtsmiddelen tegen die bestemmingswijziging.
Bron: ABRvS 25 april 2012, 201108029/1/A1
Wabo en (voormalige) binnenplanse ontheffingen
Procedurebepalingen in bestemmingsplannen voor binnenplanse ontheffingen vervallen van rechtswege op het moment dat de Wabo in werking treedt. Waarop is deze stelling gebaseerd?
Deze vraag wordt vaak aan de VNG gesteld. De Raad van State heeft hierover op 11 april duidelijkheid verschaft. Hieronder leest u ons uitgebreide antwoord.
Jurisprudentie Databank
Deze actuele uitspraak hebben we toegevoegd aan de VNG Jurisprudentie Databank. Die is gratis en alleen toegankelijk voor onze leden. Bij elke uitspraak vermelden we duidelijk het belang van de rechterlijke beslissing voor de gemeentelijke uitvoeringspraktijk.
Meer informatie
Natuur onvoldoende beschermd door omgevingsvergunning
De bescherming van zeldzame en bedreigde flora en fauna krijgt nauwelijks aandacht bij aanvragen voor een omgevingsvergunning. In slechts 0,15 procent van de aanvragen voor zo’n vergunning (60 van de 40.000) is er volgens de aanvragers kans op schade voor bedreigde soorten. Dat blijkt uit een representatief onderzoek van Alterra Wageningen UR onder 108 gemeenten. Dit onderzoek is in maart 2012 uitgevoerd in opdracht van de Gegevensautoriteit Natuur.
Gemeenten blijken alleen in uitzonderingsgevallen te checken of de aanvraag voor een omgevingsvergunning op het punt van flora en faunabescherming ook klopt. In zeven gevallen is daadwerkelijke informatie over flora en fauna aangereikt en in drie gevallen is door Dienst Regelingen een Verklaring van Geen Bedenking afgeleverd.
De Gegevensautoriteit Natuur is verbaasd over het lage aantallen. “Ook zeldzame en bedreigde flora en fauna komt gelukkig nog op veel plaatsen voor in Nederland. De kans dat je daarmee in aanraking komt wanneer je een bouwproject start is reëel.” Bij de invoering van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) op 1 oktober 2010 was verwacht dat er bij enkele duizenden projecten per jaar kans op schade aan beschermde flora en fauna bestaat. Nader onderzoek is nodig naar de oorzaken van het grote verschil.
De Flora- en faunawet regelt de bescherming van ongeveer 400 (ernstig) bedreigde en zeldzame soorten flora en fauna en broedvogels in Nederland. Omdat ruim de helft van die soorten vooral buiten beschermde gebieden voorkomt moet er bijvoorbeeld bij (ver)bouwplannen en bij het kappen van oude bomen op gelet worden of die activiteiten schade doen. Initiatiefnemers moeten dan maatregelen treffen om de schade te vermijden of te compenseren. Om de administratieve last voor de burger te beperken, kunnen burgers tegelijk met de aanvraag voor een omgevingsvergunning sinds 1 oktober 2010 ook een Verklaring van Geen Bedenking aanvragen voor de Flora- en faunawet. De gemeente vraagt dan zo’n verklaring dan aan bij het rijk.
De gemeenten geven zelf aan dat hun geringe bemoeienis met beschermde flora en fauna bij de vergunningverlening komt doordat zij voor de Flora- en faunawet geen bevoegd gezag zijn. Tegelijkertijd zijn gemeenten wel van mening dat zij de burger goed moeten voorlichten over de aanwezigheid van beschermde flora en fauna. Iedereen heeft volgens de wet een zorgplicht voor beschermde flora en fauna. Het onderzoek toont aan dat bij de aanvraag en verstrekking van omgevingsvergunningen weinig invulling aan die zorgplicht wordt gegeven.
De Gegevensautoriteit Natuur onderzoekt of de oorspronkelijke ramingen bijgesteld moeten worden en of er een andere verklaring is voor het lage aantal aanvragen zoals gebrek aan kennis en informatie bij de burgers of gebrekkige handhaving. Ook gaat hij met de overheid in gesprek om na te gaan wat er verbeterd kan worden voor de gemeenten. Volgens hem biedt de stelselwijziging omgevingsvergunning waar nu aan gewerkt wordt daarvoor een gouden kans.
bron: http://www.gegevensautoriteitnatuur.nl/pages/nieuws.aspx
Geen ondergeschikte wijziging: van tijdelijke aanvraag naar normale
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 4 april 2012 geoordeeld dat het mondeling wijzigen van een tijdelijke bouwwerk in een bouwaanvraag voor permanent bouwwerk niet kan worden aangemerkt als een ondergeschikte wijziging.
2.2.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 26 oktober 2006 in zaak nr. 200602133/1), is het college gerechtigd, en in bepaalde gevallen zelfs verplicht, om de indiener van een bouwaanvraag in de gelegenheid te stellen zijn aanvraag zodanig te wijzigen of aan te vullen dat geconstateerde beletselen voor het verlenen van een bouwvergunning worden weggenomen. Indien de wijziging van de oorspronkelijke aanvraag echter zodanig ingrijpend is dat redelijkerwijs niet meer van hetzelfde bouwplan kan worden gesproken, dient daarvoor een nieuwe bouwaanvraag te worden ingediend.
De bouwaanvraag voor een tijdelijk bouwwerk is mondeling gewijzigd in een bouwaanvraag voor een permanent bouwwerk, welke wijziging schriftelijk is bevestigd bij de aan het besluit op bezwaar gehechte brief van [vergunninghouder]. De wijziging van de grondslag van de bouwaanvraag kan, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet worden aangemerkt als van ondergeschikte aard, nu het bouwwerk met deze wijziging een blijvende ruimtelijke uitstraling krijgt.Dat het uiterlijk van het bouwplan niet is gewijzigd en dat de Welstandscommissie het bouwplan heeft beoordeeld, doet daaraan niet af. Voor het gewijzigde bouwplan was een nieuwe bouwaanvraag en publicatie daarvan op de in artikel 41 van de Woningwet voorgeschreven wijze derhalve vereist.
Marginale toetsing artikel 6.2 Wabo en uitwerking artikel 6.5, derde lid Bor
De voorzieningenrechter van de rechtbank Haarlem heeft op 29 maart 2012 zich uitgesproken over de wijze van rechterlijke toetsting van artikel 6.2 Wabo (onverwijlde inwerkingtreding omgevingsvergunning) alsmede de uitvoering van artikel 6.5, derde lid Bor.
2.10 Gelet op de bewoordingen van artikel 6.2 van de Wabo geniet het bevoegd gezag beoordelingsvrijheid ten aanzien van het al dan niet toepassen van dit artikel. Dat maakt dat de voorzieningenrechter het standpunt van het bevoegd gezag, in dit geval verweerder, dat de onverwijlde inwerkingtreding van de omgevingsvergunning na haar bekendmaking in dit geval nodig was, terughoudend dient te toetsen.
en
2.17 Ingevolge artikel 6.5, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) wordt de omgevingsvergunning, voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de wet wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, niet verleend dan nadat de gemeenteraad van de gemeente waar het project geheel of in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft, tenzij artikel 3.2, aanhef en onder b, van dit besluit of artikel 3.36 van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing is.
Ingevolge het tweede lid kan de verklaring slechts worden geweigerd in het belang van een goede ruimtelijke ordening.
Ingevolge het derde lid kan de gemeenteraad categorieën gevallen aanwijzen waarin een verklaring niet is vereist.
2.18 Blijkens bijlage 1 bij het bestreden besluit, onderdeel 1 A, onder punt 3, heeft de gemeenteraad beleid vastgesteld ter invulling van het derde lid van artikel 6.5 van het Bor. Het betreft de 'Beleidsregels afwijken van bestemmingsplannen en beheersverordeningen Wabo Zaanstad 2010' (Beleidsregels). Volgens verweerder valt onderhavige omgevingsvergunning in dat beleid onder categorie 3: "Voor alle overige categorieën zal de gemeenteraad automatisch een 'verklaring van geen bedenkingen' afgeven, tenzij de raad zelf aangeeft, op basis van de ter kennis gebrachte aanvragen, dat een aanvraag anderszins politiek gevoelig is." Verweerder stelt dat de gemeenteraad na kennisname van de stukken met betrekking tot de procedure niet heeft aangegeven zich nader over de procedure te willen uitspreken. Daarmee moet de gemeenteraad geacht worden een verklaring van geen bedenkingen te hebben afgegeven. Verweerder acht in dit kader van belang dat de voorgestelde locatiekeuze op 20 november 2008 door de gemeenteraad is aanvaard.
2.19 De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder zich, met een verwijzing naar categorie 3 van de Beleidsregels, gelet op het gebruik van het woord 'automatisch', op het standpunt heeft kunnen stellen dat de gemeenteraad in dit geval geacht moet worden een verklaring van geen bedenkingen te hebben afgegeven, nu de gemeenteraad na kennisname van de stukken niet heeft aangegeven zich nader over de bestreden omgevingsvergunning te willen uitspreken. De beroepsgrond faalt.
Parkeerbehoefte bij bouwplannen
Een artikel van Claudia Koenen van Wieringa Advocaten.
Een bouwplan zal over voldoende parkeerplaatsen moeten beschikken. De meeste gemeenten stellen dat als voorwaarde bij de verlening van een omgevingsvergunning. Dat er voor de parkeerbehoefte van een bouwplan voldoende parkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd, is meestal in de gemeentelijke bouwverordening geregeld.
Wanneer is sprake van voldoende parkeergelegenheid? Voor de uitleg daarvan zal een gemeente veelal terugvallen op gemeentelijk vastgesteld parkeerbeleid of parkeernormen. De parkeerbehoefte die een bouwplan in de toekomst zal genereren, wordt dan aan de hand van dat beleid en die normen berekend en vastgesteld.
Als er op de plek van het bouwplan reeds een gebouw stond, dat ten behoeve van het bouwplan wordt gesloopt, met andere woorden er is sprake van vervangende nieuwbouw, dan hoeft er geen rekening te worden gehouden met de parkeerbehoefte van dat bestaande gebruik. In dat geval hoeft er slechts rekening te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het bouwplan. De bestaande parkeerbehoefte van het te slopen pand mag bij het bepalen van de toekomstige extra parkeerbehoefte buiten beschouwing blijven (zie ABRS 6 februari 2008, LJN: BI2341).
Is dat ook het geval als de bestaande parkeerbehoefte voortvloeit uit een niet vergunde situatie? Ja, dat is zo. Volgens de Afdeling is er geen algemene regel die aangeeft dat slechts van de vergunde situatie dient te worden uitgegaan (uitspraak van 7 maart 2012, LJN: BV8044). Dat betekent dat bij het bepalen van de toekomstige parkeerbehoefte van het bouwplan de parkeerbehoefte van het bestaande (illegale) gebruik buiten beschouwing mag worden gelaten.
Aanhaakstelsel Wabo
De voorzieningenrechter van de rechtbank Almelo heeft de volgende uitspraak gedaan. Aanhaakstelsel Wabo i.c. niet van toepassing. Op grond van onderzoek kon college afleiden dat het vragen van een ontheffing ingevolge de Flora- en faunawet achterwege kon blijven.
Ingevolge artikel 2.19 van de Wabo is het mogelijk dat de toestemmingsvereisten op grond van de Ffw aanhaken bij de omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstand. Hiertoe bepalen burgemeester en wethouders bij de ontvangst van de aanvraag of er mogelijk sprake is van invloed op eventueel aanwezige flora en fauna. In het onderhavige geval heeft het college ten aanzien van de bomen langs de Parkweg gemeend dat een nader onderzoek noodzakelijk was. Uit het onderzoek volgt naar de mening van het college dat geen ontheffing in het kader van de Ffw aangevraagd hoeft te worden, zodat het aanhaakstelsel van de Wabo in casu niet van toepassing is. Dit neemt niet weg dat wanneer daadwerkelijk tot het vellen van de bomen wordt overgegaan, moet worden voldaan aan de op verweerder rustende zorgplicht ingevolge de Ffw.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college een deugdelijk onderzoek heeft laten verrichten naar de aanwezigheid van beschermde vleermuizen in het gebied van de te kappen bomen. Daarbij zijn de aanwijzingen van het protocol voor vleermuisinventarisaties in acht genomen. Op grond van dat onderzoek heeft het college kunnen afleiden dat het vragen van een ontheffing in het kader van de Ffw achterwege kan blijven.
Naschrift: Deze uitspraak is opgenomen als voorbeeld van jurisprudentie inzake het aanhaakstelsel van de Wabo. Aanhaken is alleen aan de orde als voor de handeling op grond van de Flora- en faunawet ook toestemming is vereist. In dit geval heeft het college naar het oordeel van de Rb., gezien het uitgevoerde onderzoek, het vragen van ontheffing in het kader van de Flora- en faunawet achterwege kunnen laten. Wat betreft de zorgplicht ingevolge de Flora- en faunawet wordt voorts verwezen naar uitspraak van de Rb. Utrecht van 17-01-2012, LJN: BV1097
Bij onlosmakelijkheid heeft de uitgebreide procedure voorrang
Op 19 maart 2012 heeft de rechtbank Almelo de volgende uitspraak gedaan. In de situatie dat sprake is van onlosmakelijk met elkaar verbonden activiteiten en voor de ene activiteit de uitgebreide voorbereidingsprocedure is voorgeschreven en voor de andere activiteit de reguliere voorbereidingsprocedure, geldt dat de uitgebreide voorbereidingsprocedure voorrang heeft. Gelet op Tegelen-jurisprudentie heeft verweerder in dit geval niet kunnen toetsen aan het in werking getreden (maar nog niet onherroepelijke) bestemmingsplan.
Op zichzelf is juist het standpunt van verweerder dat een aanvraag om omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen bij strijdigheid met het bestemmingsplan tevens dient te worden aangemerkt als een aanvraag om vergunning voor de activiteit “gebruiken in strijd met het bestemmingsplan”. Dit is bepaald in artikel 2.10, lid 2 van de Wabo. Voorts is juist het standpunt van verweerder dat een omgevingsvergunning voor een “kruimelgeval” als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a sub 2 van de Wabo dient te worden voorbereid met de reguliere voorbereidingsprocedure. Niet mag echter uit het oog worden verloren dat de activiteit “gebruiken in strijd met het bestemmingsplan” in dit geval onlosmakelijk is verbonden met de activiteiten “bouwen” en “wijzigen van een monument” als bedoeld in artikel 2.7 van de Wabo.
In de situatie dat sprake is van onlosmakelijk met elkaar verbonden activiteiten en voor de ene activiteit de uitgebreide voorbereidingsprocedure is voorgeschreven en voor de andere activiteit de reguliere voorbereidingsprocedure, geldt dat de uitgebreide voorbereidingsprocedure voorrang heeft. Zou dit anders zijn, dan ontstaat de merkwaardige situatie dat in het ene geval rechtstreeks beroep openstaat en het andere geval eerst bezwaar moet worden gemaakt. Dit is onwenselijk. Dit betekent dat verweerder het besluit van 24 januari 2012 ten onrechte met de reguliere procedure heeft voorbereid.
Ten aanzien van de Tegelen jurisprudentie.
Het bestemmingsplan “C.T. Storkstraat 35” is door de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak bij uitspraak van 7 februari 2012 geschorst. Hoewel deze schorsing op zichzelf geen terugwerkende kracht heeft, zodat voornoemd bestemmingsplan ten tijde van het nemen van het besluit van 24 januari 2012 in beginsel als geldend recht moest worden aangemerkt, valt niet uit te sluiten dat dit anders is in de situatie dat voorafgaand aan de besluitvorming een verzoek om voorlopige voorziening is ingediend dat strekt tot schorsing van het besluit tot vaststellen van het bestemmingsplan. Die situatie doet zich hier voor. Het door verzoekers ingediende verzoek tot schorsing van het vaststellingsbesluit dateert van 23 december 2011 en beoogde te voorkomen dat verweerder toetst aan een bestemmingsplan dat wel in werking is getreden maar nog niet onherroepelijk is geworden. Het past verweerder dan niet om de uitspraak van de Voorzitter niet af te wachten en de vergunning op basis van het nieuwe bestemmingsplan te verlenen. De voorzieningenrechter wijst in dit verband op de zogenoemde “Tegelen-jurisprudentie” (uitspraak van de Afdeling van 21 december 1999, LJN AA4296), welke jurisprudentie ook onder de Wet ruimtelijke ordening zijn gelding heeft behouden (zie de uitspraak van de Afdeling van 24 februari 2011, LJN BP6324). Kort gezegd moet betekenis worden gehecht aan de rechtszekerheid van belanghebbenden die tegen de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen willen opkomen. Indien na de inwerkingtreding van het nieuwe — nog niet in rechte onaantastbare — bestemmingsplan een aanvraag om vergunning wordt ingediend of ingewilligd, moet aan deze belanghebbenden een behoorlijke en praktisch bruikbare mogelijkheid worden geboden om het nieuwe bestemmingsplan alsnog door de voorzitter van de Afdeling buiten werking te doen stellen. Indien de bedoelde belanghebbende, tegelijk of nagenoeg tegelijk met het indienen van een zienswijze tegen de ontwerpvergunning, een verzoek om schorsing van het vaststellingsbesluit indient bij de voorzitter van de Afdeling, ligt het in de rede dat verweerder niet op de aanvraag beslist alvorens de voorzitter zich over de gevraagde schorsing heeft uitgesproken.
Alsdan kan het peilmoment voor het toepasselijke recht niet worden gelegd op een vroeger tijdstip dan dat waarop de voorzitter omtrent de schorsing van het vaststellingsbesluit heeft beslist. Schorst de voorzitter (alsnog) het besluit, dan geldt het oude bestemmingsplan als toetsingskader. Toegespitst op het hier aan de orde zijn geval, kan niet worden uitgesloten dat verweerder diende te toetsen aan het bestemmingsplan “Tuindorp ’t Lansink”. Binnen dit bestemmingsplan is de hotelfunctie op het perceel niet mogelijk gemaakt. Van een “kruimelgeval” kan dan niet meer worden gesproken.
Onlosmakelijke samenhang
Een artikel van Pjotr Lanting van Wieringa Advocaten.
Uit tijd en kostenoverwegingen kiest een aanvrager van een omgevingsvergunning er soms voor om bepaalde vergunningsplichtige activiteiten binnen een project nog niet binnen een aanvraag om een omgevingsvergunning te betrekken. Een project wordt dan opgeknipt in verschillende aanvragen. Dit is echter niet mogelijk wanneer het project feitelijk slechts betrekking heeft op één ondeelbare activiteit, zo blijkt uit artikel 2.7 Wabo.
Een voorbeeld. De verbouwing van een rijksmonument betreft twee vergunningsplichtige activiteiten. Ten eerste is er sprake van ‘bouwen' in de zin van artikel 2.1 lid 1 sub a. Wabo, ten tweede is er sprake van ‘het in enig opzicht wijzigen van een beschermd monument' in de zin van artikel 2.1 lid 1 sub f. Wabo. Hoewel er sprake is van twee vergunningsplichtige activiteiten, zijn deze echter ‘onlosmakelijk samenhangend', zodat opknippen niet mogelijk is. Er dient één omgevingsvergunning te worden aangevraagd, die betrekking heeft op beide activiteiten. Is de aanvraag onvolledig, bevat deze bijvoorbeeld niet de aanvraag voor de wijziging van het monument, dan dient de aanvrager op grond van artikel 4.5 Awb door het bevoegd gezag in de gelegenheid te worden gesteld om de aanvraag aan te vullen.
In de praktijk is er soms discussie over wanneer er sprake is van onlosmakelijke samenhang. Uit Kamerstukken II 2006/07, 30844, nr. 8 blijkt: ‘Van onlosmakelijke samenhang tussen één of meer activiteiten is sprake als de activiteiten zien op dezelfde handeling. Het gaat dan om een activiteit die tegelijkertijd ook aangemerkt moet worden als een andere activiteit als omschreven in de artikelen 2.1 of 2.2 van de Wabo.'
Er is bijvoorbeeld duidelijk geen onlosmakelijke samenhang tussen activiteiten bij een omgevingsvergunningsaanvraag voor een plan om een boom te kappen en ter plaatse een uitbouw te bouwen. Het betreft een project bestaande uit verschillende activiteiten. Naar mijn mening is er duidelijk wel sprake van onlosmakelijke samenhang wanneer een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor het gebruiken van een gebouw in strijd met het bestemmingsplan (artikel 2.1 lid 1 sub c. Wabo) en het brandveilig gebruiken van een gebouw (artikel 2.1. lid 1 sub d. Wabo). De aanvraag betreft immers één activiteit: het gebruiken van een gebouw. Jurisprudentie zal moeten uitwijzen welke activiteiten onlosmakelijk zijn en welke niet.

