Geen fundament voor een beroep op het overgangsrecht wanneer er op een bestaande fundering wordt gebouwd
Een artikel van Max Seelen van Patres.
Je krijgt een bouwaanvraag binnen die in strijd is met het bestemmingsplan. Als je hiervoor niet van het bestemmingsplan wil afwijken, dan moet je de vergunning weigeren (artikel 2.10 Wabo).
Beroep op overgangsrecht
De aanvrager geeft zich echter niet zomaar gewonnen. Hij beroept zich op het overgangsrecht voor bouwwerken, omdat het bouwplan op de bestaande fundering wordt gebouwd. Volgens de aanvrager mag je immers bouwwerken onder het overgangsrecht gedeeltelijk vernieuwen of veranderen, zolang de afwijking met het geldende bestemmingsplan maar niet naar aard en omvang wordt vergroot.
Verweer tegen dit beroep
Maar helaas (voor de aanvrager dan). Het bouwen op een bestaande fundering mag je niet zien als ‘gedeeltelijk vernieuwen of veranderen’ in de zin van de standaardovergangsbepalingen (zowel van ‘oude’ bestemmingsplannen als van de huidige standaard overgangsbepalingen van het Besluit ruimtelijke ordening). De rechter ziet dit toch al gauw als een gehele vernieuwing van een bouwwerk. En dan gaat een beroep op het overgangsrecht voor bouwwerken niet op (ABRvS 10 maart 2004, 200304428/1).
Dit geldt zeker wanneer er ook nog eens een bouwwerk ‘terugkomt’ met andere afmetingen en een ander uiterlijk (ABRvS 3 april 2009, 200901002/1/H1 en 200901002/2/H1).
Bron: ABRvS 2 mei 2012, 201110710/1/A1
Overgangsrecht in het bestemmingsplan
Op 8 februari 2012 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, inzake het overgangsrecht, de volgende uitspraak gedaan. Het betrof een nieuw bestemmingsplan waarbij een woning, welke reeds onder het overgangsrecht viel van het oude bestemmingsplan, opnieuw onder het overgangsrecht werd gebracht.
2.3.2. Het perceel [locatie 2]/[locatie 3] heeft in het plan de bestemming "Wonen". Ingevolge artikel 14, lid 14.2, aanhef en onder a, van de planregels mag op gronden met deze bestemming binnen ieder bestemmingsvlak één vrijstaande woning worden gebouwd. Vast staat dat op het perceel reeds een vrijstaande woning aanwezig is met huisnummer [locatie 3], zodat het door [appellant sub 2] als woning gebruikte gebouw in het plan niet als zodanig is bestemd. Op grond van artikel 14, lid B I, van het voorheen geldende plan "Buitengebied 1992" gold eveneens dat per bestemmingsvlak slechts één woning was toegestaan, zodat ook in dat plan het gebouw met huisnummer [locatie 2] niet als woning was bestemd. Artikel 27, lid B, van het laatstgenoemde plan bepaalde evenwel dat het op het tijdstip van het rechtskracht verkrijgen daarvan bestaande gebruik dat met de in dat plan aangewezen bestemming in strijd was mocht worden voortgezet. Nu [appellant sub 2] ter zitting aannemelijk heeft gemaakt dat het betrokken gebouw al voor inwerkingtreding van het plan "Buitengebied 1992" als woning werd gebruikt, moet worden aangenomen dat dat gebruik was toegestaan op grond van het overgangsrecht van dat plan. Uit artikel 28, lid 28.2, van het nu voorliggende plan volgt dat het gebruik als woning thans opnieuw onder het overgangsrecht is gebracht. Het opnieuw onder het overgangsrecht brengen van dit gebruik is, gelet op het karakter van het overgangsrecht dat is gericht op beëindiging van het gebruik, in beginsel echter slechts toegestaan indien aannemelijk is dat het gebruik binnen de planperiode zal worden beëindigd. Dat [appellant sub 2] voornemens is het bestaande gebruik als woning te beëindigen is echter niet aannemelijk geworden. Evenmin is gebleken dat het gemeentebestuur voornemens is de betrokken gronden te verwerven of tot onteigening over te gaan. Nu het voorts in dit geval gaat om een reeds lang bestaande situatie en vaststaat dat het gebouw met vergunning is gebouwd, zodat tegen het gebouw als zodanig niet handhavend kan worden opgetreden, kan het besluit het gebouw aan de [locatie 2] niet als woning te bestemmen niet worden gedragen door het enkele uitgangspunt van de raad, zoals dat uit de plantoelichting kan worden afgeleid, dat toevoeging van bebouwing in het buitengebied ruimtelijk niet wenselijk is. Het bestreden besluit is derhalve op dit punt onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd.
Met dank aan Jaco de Jong van Verstoep Bouwkundigen.
Ook weigering van een aanvraag van vóór 1 juli 2008 valt onder de WRO
Ook een weigering van een aanvraag om vrijstelling van vóór 1 juli 2008 valt nog onder het regime van de 'oude' WRO. De aanvraag was ingediend vóór 1 juli 2008 maar het weigeringsbesluit was na 1 juli 2008 genomen. Nu geen sprake is van een verleende vrijstelling, volgt uit de letterlijke tekst van artikel 9.1.10 van de IWro niet dat op de (geweigerde) bouwaanvragen ook het recht van voor 1 juli 2008 van toepassing is. De rechtbank oordeelde als volgt:
Nu geen sprake is van een verleende vrijstelling, volgt uit de letterlijke tekst van artikel 9.1.10 van de IWro niet dat op de (geweigerde) bouwaanvragen ook het recht van voor 1 juli 2008 van toepassing is. Dat zou betekenen dat op het verzoek om vrijstelling het recht van voor 1 juli 2008 van toepassing is en op de beide aanvragen om bouwvergunning het recht van na die datum. Beide bouwvergunningen zijn evenwel aangevraagd met het oog op de te verlenen vrijstelling. Een redelijke wetstoepassing, mede gelet op de aard en strekking van het derde lid van artikel 9.1.10 van de IWro, brengt dan ook met zich dat op de thans aan de orde zijnde aanvragen voor de bouwvergunningen en de daarop genomen besluiten, ondanks dat die niet zijn gebaseerd op een verleende vrijstelling, niettemin het recht van voor 1 juli 2008 van toepassing is. Een andere wetsuitleg acht de rechtbank uit een oogpunt van rechtszekerheid en een efficiënt gebruik van rechtsmiddelen niet aanvaardbaar. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat tegen het besluit tot weigering van de aangevraagde bouwvergunningen het recht van voor 1 juli 2008 van toepassing is, en nu niet afdeling 3.4 van de Awb op deze aanvragen is toegepast, eerst bezwaar moet worden gemaakt alvorens beroep mag worden ingesteld.
Toepassing van artikel 6:13 van de Awb bij omgevingsvergunningen
Hierbij willen wij u attenderen op een belangrijke uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State inzake de toepassing van artikel 6:13 van de Awb bij omgevingsvergunningen en de wijziging van de rechtspraak over de toepassing van dit artikel bij milieuvergunningen (uitspraak van 9 maart 2011 inzake no. 201006983/1/M2, LJN: BP7155 / rechtspraak.nl, r.o. 2.4 en 2.5).
Toepassing van artikel 6:13 van de Awb bij omgevingsvergunningen
2.4. Hoewel de Wabo op dit geding niet van toepassing is, acht de Afdeling het voor de rechtspraktijk van belang reeds thans de vraag te beantwoorden of de in overweging 2.3.1 bedoelde rechtspraak inzake artikel 6:13 van de Awb moet worden voortgezet in gedingen over besluiten inzake een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een project dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het oprichten, veranderen of in werking hebben van een inrichting als bedoeld in artikel 2:1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo.
2.4.1. Een omgevingsvergunning als bedoeld in de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wabo heeft betrekking op het uitvoeren van een project dat uit verschillende activiteiten kan bestaan. Het ligt in de rede voor de toepassing van artikel 6:13 van de Awb elk van de in de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wabo bedoelde toestemmingen die in een omgevingsvergunning zijn opgenomen, als besluitonderdeel op te vatten.
2.4.2. De Afdeling overweegt over de toepassing van artikel 6:13 van de Awb op de beslissingen over de aanvaardbaarheid van de verschillende categorieën milieugevolgen, die in een omgevingsvergunning zijn vervat, als volgt.
Onder het recht dat voor de invoering van de Wabo gold, moest het bevoegd gezag ook bij beslissingen over een vrijstelling met het oog op de verlening van een bouwvergunning onder omstandigheden de aanvaardbaarheid van verschillende categorieën milieugevolgen voor het woon- en leefklimaat beoordelen. De rechtspraak vatte die beoordelingen voor de toepassing van artikel 6:13 van de Awb niet als besluitonderdelen op. Tekst noch geschiedenis van de Wabo geeft aanleiding die lijn te wijzigen. Dit betekent dat, als met betrekking tot een omgevingsvergunning - als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, in samenhang met c, van de Wabo - voor het bouwen in strijd met een bestemmingsplan eerst in beroep gronden over bijvoorbeeld geluid worden aangevoerd, er ook onder de Wabo geen aanleiding is het beroep ter zake van die toestemming in zoverre niet-ontvankelijk te verklaren.
Als de desbetreffende omgevingsvergunning tevens een - in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo, bedoelde - toestemming tot het oprichten, veranderen of in werking hebben van een inrichting bevat en het beroep zich ook tegen deze toestemming richt, ligt het niet in de rede ter zake van deze toestemming wel te beslissen dat het beroep wegens het eerst in beroep aanvoeren van gronden over geluid in zoverre niet-ontvankelijk is. Daarom ziet de Afdeling, in aanmerking genomen dat tekst noch geschiedenis van de Wabo in een andere richting wijst, aanleiding beslissingen over de aanvaardbaarheid van de verschillende categorieën milieugevolgen die in een besluit over een omgevingsvergunning zijn vervat, voor de toepassing van artikel 6:13 van de Awb niet als besluitonderdelen aan te merken.
Wijziging van de rechtspraak over de toepassing van artikel 6:13 van de Awb bij milieuvergunningen
2.5. Ook na de invoering van de Wabo kunnen in een aantal gevallen nog steeds op grond van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer besluiten inzake milieuvergunningen worden genomen. Tegen die besluiten staat op grond van artikel 20.1 van de Wet milieubeheer rechtstreeks beroep bij de Afdeling open. Overweging 2.4.2 geeft de Afdeling aanleiding, ter wille van de rechtseenheid, ook in die gedingen beslissingen over de aanvaardbaarheid van verschillende categorieën milieugevolgen niet meer voor de toepassing van artikel 6:13 van de Awb als besluitonderdelen aan te merken. In het belang van de rechtszekerheid zal deze wijziging van de rechtspraak eerst worden toegepast op beroepen tegen besluiten die op of na 1 april 2011 op de voorgeschreven wijze zijn bekendgemaakt.
Informatie over overgangsrecht bestemmingsplan
Worden illegale bouwwerken met terugwerkende kracht bouwvergunningvrij, wanneer het bestemmingsplan gewijzigd word? Deze vraag komt regelmatig binnen bij de VNG.
Het antwoord op de vraag hangt af van het overgangsrecht in uw bestemmingsplan. Er zijn twee situaties mogelijk:
- Klassiek overgangsrecht: het overgangsrecht omvat alle bestaande bouw, ook wanneer deze illegaal is gebouwd, tenzij wraking van de illegale bouw plaatsvindt voordat het bestemmingsplan met het overgangsrecht wordt vastgesteld.
- Modern overgangsrecht: het overgangsrecht is zo geformuleerd dat de illegale bouw daarvan is uitgesloten.
Hieronder leest het uitgebreide antwoord op de vraag.
Andere veelgestelde vragen:
Overgangsrecht Wabo voor planologische besluiten
Uitbreiding overgangsrecht voor planologische besluiten
Uitbreiding overgangsrecht voor planologische besluiten
Overgangsrecht Wabo ten aanzien van vrijstelling WRO en projectbesluit
Op 7 oktober 2010 heeft de Minister antwoord gegeven op Kamervragen met betrekking tot het overgangsrecht projectbesluit en Wabo. Onder punt 5 wordt het antwoord gegeven op de vraag: “Biedt de overheid (lokaal, regionaal en nationaal) niet juist een afdoende mate van rechtszekerheid aan de vergunningaanvragers en samenleving, door het overgangsrecht zo toe te passen op de situatie dat er wel een artikel 19-procedure onder de oude WRO is doorlopen, terwijl er nog geen concrete bouwvergunning is afgegeven?”. Het volledige document treft u aan via deze link.
Samengevat wordt gesteld dat het hiaat in het overgangsrecht ook geldt voor separate besluiten ingevolge artikel 19, eerste, tweede of derde lid, van de oude WRO. Ook voor deze besluiten zal het ontwikkelde voorstel alsnog in overgangsrecht voorzien. Een soepele toepassing van het geldende overgangsrecht, waardoor eerdere separate projectbesluiten en artikel 19 WRO-besluiten alsnog bruikbaar blijven, is in strijd met de wet. Er zal dus zowel voor de vrijstelling ex artikel 19, lid 2 WRO (afwijken gebruik bestemmingsplan) als voor de bouwvergunning (bouwactiviteit) een omgevingsvergunning
moeten worden aangevraagd.
Het hierboven weergegeven antwoord is geformuleerd naar aanleiding van een gestelde vraag aan het Ordito Wabo Loket. Heeft u ook een prangende vraag op het gebied van de Wabo, dan kunt u deze kwijt bij het Ordito Wabo Loket: wabo@ordito.nl
Posted: 2010-10-18 20:14:46

