Systematiek Wabo gaat op zijn kop: onlosmakelijke samenhang wordt deels losgelaten
Een artikel van Max Seelen van Patres.
Als je 10 woningen wil bouwen in afwijking van het bestemmingsplan, dan bestaat jouw bouwplan uit 2 activiteiten in de zin van de Wabo: afwijken van het bestemmingsplan en bouwen.
Deze activiteiten worden feitelijk tegelijkertijd uitgevoerd en hiervoor kun je op dit moment niet 2 deelvergunningen aanvragen. Dit alles moet in 1 omgevingsvergunning worden geregeld, aldus artikel 2.7 Wabo. Het gaat hier dus om de ‘onlosmakelijke samenhang’ van bepaalde activiteiten.
Begrip ‘onlosmakelijke samenhang’
Gelukkig kennen we bij onze wetgeving tekst & toelichting. Hierin kun je lezen wat nou eigenlijk de bedoeling is van het omslachtig geschreven artikel 2.7 Wabo. Kennelijk ziet de wetgever dit nu ook in. In de Wabo (artikel 1.1) wordt daarom een definitie van het begrip ‘onlosmakelijke samenhang’ opgenomen.
Onlosmakelijke samenhang deels losgelaten
Maar dat is niet het enige wat in de Wabo gaat veranderen. De systematiek van de Wabo wordt voor een belangrijk deel op zijn kop gezet. Zo wordt de huidige onlosmakelijke samenhang voor een deel losgelaten.
De activiteit ‘afwijken van het bestemmingsplan’ wordt namelijk losgeweekt van de ‘onlosmakelijke samenhang’. Hiervoor kun je dus straks een deelvergunning aanvragen. Het grote voordeel van deze wetswijziging is dat er een echte fasering kan worden bereikt in de besluitvorming over je project. Je kunt dan – vooruitlopend op de aanvraag van de vergunning om te bouwen - een deelvergunning en een rechtstitel verkrijgen om de gronden alvast bouwrijp te maken. En als je voor het bouwrijp maken ook alvast bomen moet kappen of een uitrit moet aanleggen, dan vraag je hiervoor ook een vergunning aan. Dat verandert natuurlijk niet.
Maar we kennen nu toch ook faseringsmogelijkheden? Ja, dat klopt (artikel 2.5 Wabo). Alleen je kunt na een vergunningverlening eerste fase pas met het bouwrijp maken (afwijken van het bestemmingsplan) beginnen wanneer de vergunning tweede fase (bouwen) in werking is getreden.
Extra weigeringsgrond bouwen
Inherent aan de bovenstaande wijziging van de onlosmakelijke samenhang, is een aanvulling van de weigeringsgronden voor een vergunning om te bouwen (artikel 2.10 Wabo). Die vergunning kan straks niet geweigerd worden wanneer er een vergunning is verleend voor het gebruik in strijd met het bestemmingsplan (planologisch afwijkingsbesluit). Die vergunning wordt dus een toetsingskader voor de vergunning om te bouwen.
Het is overigens niet de bedoeling om van het planologisch afwijkingsbesluit een algemeen toetsingskader te maken voor toekomstige niet uitgekristalliseerde bouwplannen. Het moet dus gaan om concrete plannen (maar ja, wat is algemeen en wat is concreet?).
Maar wanneer eenmaal de vergunning om af te wijken van het bestemmingsplan ten behoeve van de 10 woningen is verleend, dan mag je de woningen stapsgewijs bouwen door meerdere vergunningen voor het bouwen aan te vragen. Bijvoorbeeld na 1 jaar 3 woningen en na 2 jaar de overige 7 woningen. Deze mogelijkheid bestond onder het oude recht ook (ABRvS 22 juni 2011, AB 2011/194).
Verschil is (waarschijnlijk) wel, dat men niet meer bij iedere vergunning om te bouwen, ook het planologisch afwijkingsbesluit ter discussie kan stellen. Hoewel juridisch verklaarbaar, kon dit vreemd genoeg onder het oude recht wel.
Handigheidje
In het verlengde van dit alles, introduceert de wetgever nog een handigheidje (artikel 2.5a Wabo). Stel, je hebt al een vergunning om te wijken van het bestemmingsplan in huis. Een tijdje later vraag je een vergunning om te bouwen aan, maar door een aanpassing van het Bouwbesluit of veranderde marktomstandigheden past de beoogde vergunning om te bouwen niet meer binnen de kaders van je planologisch afwijkingsbesluit. In dat geval mag je ook het planologisch afwijkingsbesluit aanpassen (dat worden nog leuke discussies hoever je hiermee mag gaan).
Bron: Kamerstukken 33 135 en ‘Het wetsvoorstel voor het permanent maken van de Chw nader beschouwd’, TBR 2012/63
Gemeenten mogen straks weer beroep instellen tegen provinciale Crisis- en herstelbesluiten
Een artikel van Max Seelen van Patres.
Althans, vanaf het moment dat het wetsvoorstel ‘voor het permanent maken van de Crisis- en herstel’ de eindstreep haalt (Kamerstukken 33 135). Het gaat hier dus om artikel 1.4 Crisis- en herstelwet (Chw). In dit artikel is bepaald dat – bijvoorbeeld – gemeenten geen beroep mogen instellen tegen Chw-besluiten, mits deze besluiten niet tot die gemeenten zijn gericht.
Nu is het altijd de bedoeling van de wetgever geweest dat deze beperking van het beroepsrecht voor gemeenten beperkt was tot besluiten van het Rijk. Maar zo stond het niet in de wet (artikel 1.4 Chw) en dan volgt de bestuursrechter (zoals wel vaker) de tekst van de wet en niet de toelichting hierop (ABRvS 29 juli 2011, 201011757/14/R1). Gevolg was dat gemeenten geen beroepsmogelijkheden hadden tegen provinciale Crisis- en herstelbesluiten.
De VNG en de Unie van Waterschappen vonden dit maar niks en hebben daarom aan onze minister gevraagd de Chw-wet conform de achterliggende bedoeling te formuleren.
Dit betekent dus dat je als gemeente straks wel beroep mag instellen tegen een Chw-besluit van de provincie, maar niet van het Rijk.
Toch kun je je afvragen waarom je als gemeente dan wel beroep mag aantekenen tegen Chw-inpassingsplannen van de provincie en niet van het Rijk?
Bron: Kamerstukken 33 135 en ‘Het wetsvoorstel voor het permanent maken van de Chw nader beschouwd’, TBR 2012/63
Een bestemmingsplan met een uitwerkingsplicht voor meer dan 11 woningen is géén ‘Crisis- en herstelwet-besluit’
Een artikel van Max Seelen van Patres.
Een (nieuw Wro-) bestemmingsplan waarmee meer dan 11 woningen (in een aaneengesloten gebied) gerealiseerd kunnen worden, is een besluit in de zin van de Crisis- en herstelwet (bijlage I van die wet onder categorie 3.1).
Maar wanneer dit bestemmingsplan nog eerst moet worden uitgewerkt voordat de bouw van meer dan 11 woningen mogelijk is, dan gaat deze vlieger niet op. In dat geval is er géén sprake van een ‘Crisis- en herstelwet-besluit’. En daarmee zijn de ‘procedurele voordelen’ van deze wet niet van toepassing op het ‘moederplan’.
Het bestemmingsplan maakt dan immers niet bij recht de bouw van meer dan 11 woningen mogelijk.
Overigens werd er in deze zaak nog gesproken over een ‘Crisis- en herstelwet-drempel’ van 20 woningen. Vanaf 1 januari jl. geldt echter een drempel van 11 woningen.
Bron: ABRvS 25 januari 2012, 201004320/1/R4
Crisis- en herstelwet permanent, vierde tranche in werking
De ministerraad heeft op voorstel van minister Schultz van Haegen ingestemd met het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet. Het gaat dan om invoering van de zogenoemde vierde tranche. In het besluit worden een aantal ontwikkelingsgebieden, een tweetal innovatieve experimenten (en 2 uitbreidingen van lopende experimenten), een nieuwe categorie voor bijlage I en een aantal projecten aan bijlage II toegevoegd.
Ontwikkelingsgebieden
In het besluit worden Waterfront Harderwijk, Centrumplan Eerbeek/Brummen, Spoorzone Tilburg, oostelijk Centrumgebied Arnhem en vliegbasis Soest/Zeist aangewezen als ontwikkelingsgebieden. Hierdoor kan in deze herstructureringsgebieden de milieugebruiksruimte opnieuw worden verdeeld uitgaande van gewenste maatschappelijke ontwikkelingen. Het besluit stelt bestuurders in staat om via een gebiedsontwikkelingsplan tijdelijk van de normen af te wijken zodat de herstructurering daadwerkelijk van de grond kan komen, mits er op termijn een betere situatie ontstaat.
Innovatieve experimenten
Bij de 2 innovatieve experimenten gaat het om Newtonpark Leeuwarden waar de gemeente innovatieve bedrijven de ruimte wil geven en het niet meer handhaven van bepaalde bepalingen uit het Bouwbesluit bij particulier opdrachtgeverschap in de gemeente Almere.
Bijlage I
Aan de categorieën van bijlage I van de Crisis- en herstelwet wordt de categorie verduurzaming landbouw toegevoegd. Het gaat in dit geval om het mogelijk maken van grote installaties voor de verwerking van dierlijke mest in een gebied met een industriële bestemming.
Bijlage II
De volgende projecten worden toegevoegd aan bijlage II van de Crisis- en herstelwet: landschapspark Lingezegen, bedrijvenpark Deventer A1, glastuinbouwcluster Withagen en Afvalverwerking VAR (Voorst), nieuwe Driemanspolder (Zoetermeer), gebiedsontwikkeling luchthaven Twente, Hofbogen Rotterdam, stationsomgeving Driebergen-Zeist en landgoed de Reehorst, Rotterdamsebaan Den Haag, N50 Ens-Emmeloord en IJzeren Rijn.
Het besluit is een uitwerking van de Crisis- en herstelwet die dateert van maart 2010. De ministerraad heeft eind december 2011 besloten dat deze permanent zal worden. De wet biedt de mogelijkheid anders om te gaan met regelgeving en besluitvorming te versnellen vanwege de economische crisis. Ook bevat de wet experimentele bepalingen voor gebiedsontwikkeling, innovatie en duurzaamheid. Hierdoor kan in moeilijke tijden de economische structuur van Nederland worden versterkt.
Documenten en publicaties
Crisis- en herstelwet permanent
Crisis- en herstelwet: beperking beroepsrecht decentrale overheden
Cathine Knijff schrijft op de weblog van Wieringa Avocaten.
We schreven al vele weblogs over de Crisis- en herstelwet (Chw). Dit keer aandacht voor een aantal recente uitspraken over art. 1.4 Chw. Dit artikel maakt een uitzondering op het in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geregelde recht van belanghebbenden om beroep tegen een besluit in te stellen (art. 8.1 Awb).
Bij projecten waarop de Chw van toepassing is, kunnen publiekrechtelijke rechtspersonen en hun bestuursorganen die niet tot de centrale overheid behoren, geen beroep instellen tegen besluiten van andere bestuursorganen. De achterliggende gedachte is dat moet worden voorkomen dat de realisatie van de projecten waarop de Chw van toepassing vertraging oplopen door beroepsprocedures van ‘decentrale overheden’. De uitsluiting van het beroepsrecht geldt overigens niet als het gaat om besluiten die gericht zijn tot deze overheden.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde in een uitspraak op 1 april 2011 dat de gemeente Kerkrade en de raad en het college van burgemeester en wethouders van deze gemeente geen beroep kunnen instellen tegen een besluit van provinciale staten tot vaststelling van een inpassingsplan. De Afdeling overweegt daarvoor eerst dat het een project betreft waarop de Chw van toepassing is en vervolgens dat het besluit niet de gemeente, raad en college is gericht. Van belang is dat uit deze uitspraak volgt dat art. 1.4 Chw ook betrekking heeft op besluiten die niet afkomstig zijn van de centrale overheid. Dit is opmerkelijk, aangezien in de memorie van toelichting staat dat de werking van art. 1.4 Chw zich alleen uitstrekt tot besluiten die door de centrale overheid zijn genomen. Dit blijkt echter niet uit de tekst van art. 1.4 Chw en de Afdeling heeft de tekst van de wet gevolgd. Het ging immers om een provinciaal besluit.
De rechtbank Rotterdam verklaarde in een uitspraak van 13 mei 2011 het beroep van de gemeente Den Haag, de raad en het college van deze gemeente niet-ontvankelijk op grond van art. 1.4 Chw. Het ging in de zaak om een besluit van de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu voor het oprichten van een offshore windturbinepark. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 1 april 2011 stelt de rechtbank daarvoor vast dat het gaat om een project waarop de Chw van toepassing is en dat het besluit niet gericht is tot de gemeente Den Haag, de raad e/o het college. Eisers in deze zaak beriepen zich op strijdigheid met het recht op toegang tot de rechter geregeld in de artikelen 6 en 13 EVRM en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De rechtbank stelt echter dat de toegang tot de rechter niet wezenlijk wordt belemmerd, nu er een civiele proceduremogelijkheid resteert.
De gemeente Den Haag geeft zich niet snel gewonnen. In de beroepsprocedure tegen een waterwetvergunning verleend door de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu voor het windturbinepark verzoeken ze de rechtbank om als partij te worden toegelaten partij op grond van art. 8:26 Awb. Dit artikel regelt dat de bestuursrechter tot de sluiting van het onderzoek ter zitting belanghebbenden in de gelegenheid kan stellen als partij aan het geding mee te nemen. Denk bijvoorbeeld aan een vergunninghouder die er belang bij heeft deel te nemen aan de beroepszaak van een omwonende tegen zijn vergunning.
Ook dit mag niet baten. De rechtbank Rotterdam (uitspraak van 14 juli 2011) overweegt eerst dat de gemeente Den Haag gelet op art. 1.4 Chw geen beroep kan instellen (en dat ook niet heeft gedaan) en oordeelt vervolgens dat de gemeente Den Haag ook niet als partij wordt toegelaten. Nu bij formele wet (de Chw) is bepaald dat geen ontvankelijk beroep kan worden ingesteld, biedt art. 8:26 Awb niet de ruimte om de gemeente Den Haag als partij tot het geding toe te laten, aldus de rechtbank. Daarbij verwijst de rechtbank naar de memorie van toelichting op art. 8:26 Awb waarin tot uitdrukking is gebracht dat dit artikel niet beoogt te voorzien in participatie door belanghebbenden die geen gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid beroep in te stellen of belanghebbenden die niet-ontvankelijk zouden zijn in hun beroep.
Kortom, als het gaat om een project waar de Chw op van toepassing is, blijft de deur van de bestuursrechter dicht voor decentrale overheden die het niet eens zijn met een niet tot hen gericht besluit van een ander bestuursorgaan, ongeacht of dit afkomstig is van de centrale of decentrale overheid.
Beroepsrecht decentrale overheden Chw sneuvelt
Bij de behandeling van het wetsvoorstel tot reparatie van de Crisis- en herstelwet (Chw) grepen Ger Koopmans (CDA) en Charlie Aptroot (VVD) de nieuwe politieke verhoudingen aan om de tijdelijke beperking van het beroepsrecht voor decentrale overheden alsnog permanent te maken.
Eerder was daar, bij de behandeling van de Chw onder het vorige kabinet, in de Kamer nog onvoldoende steun voor. Minister Melanie Schultz hield de tandem Koopmans-Aptroot, die steun krijgen van de PVV, voor dat zij reeds werkte aan een wetsvoorstel tot verankering van de Chw (dat dit najaar naar de TK gaat), maar wilde het amendement met beperking van het beroepsrecht, dat vooruit loopt op het nieuwe wetsvoorstel, niet ontraden. Ondanks forse kritiek van de oppositie, liet ze het oordeel over het amendement Koopmans-Aptroot aan de Kamer. Het IPO heeft er deze maand in reactie op het conceptwetsvoorstel voor gepleit vast te houden aan de tijdelijkheid van de beperking van het beroepsrecht.
In een tweede amendement regelen CDA en VVD dat in de Natuurbeschermingswet de referentiedatum voor vrijstelling van bestaand gebruik van de vergunningplicht (in relatie tot Natura 2000) wordt gesteld op 31 maart 2010 (in plaats van 7 december 2004). Volgens Koopmans scheelt dit de provincies veel aanschrijvingen en de bedrijven een onmogelijke bewijslast. Ook bij dit amendement wees de minister er op dat hieraan al door collega Bleker wordt gewerkt, maar ook dit amendement werd door haar niet ontraden.
Daarmee bleef de tekst van het wetsvoorstel tot reparatie van de Crisis- en herstelwet (Chw) zelf woensdag in de Tweede Kamer buiten schot. In deze wet worden onder andere de regels voor de provincies met betrekking tot windenergie verduidelijkt. Naast de toevoegingen van CDA en VVD wil Diederik Samsom (PvdA) dat Tennet wordt aangewezen als verantwoordelijke voor de aanleg van elektriciteitswerken op zee. Ook bepleit hij vrijstelling van energiebelasting voor decentrale energielevering. Minister Schultz ontraadt deze amendementen wegens strijdigheid met het kabinetsbeleid.
Relativiteitsvereiste Crisis- en Herstelwet: opkomen voor eigen belangen
Yordy Soffner schrijft op de weblog van Wieringa Avocaten.
Door invoering van het relativiteitsvereiste in de Crisis- en Herstelwet is het voor “bezwaarmakers” moeilijker geworden om bij de bestuursrechter een besluit vernietigd te krijgen. Artikel 1.9 van de Crisis- en Herstelwet bepaalt namelijk dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dat beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Deze bepaling wordt het “relativiteitsvereiste” genoemd. Wil men succesvol opkomen tegen een bepaald besluit waar de Crisis- en Herstelwet op van toepassing is dan dient men gronden aan te voeren die zien op de eigen belangen.
Doet men dat niet dan zal het beroep bij de bestuursrechter niet slagen. Een voorbeeld hiervan is terug te vinden in een recente uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam. Het college van B&W heeft besloten ten behoeve van de bouw van een woonzorgcomplex een projectbesluit te nemen en een bouwvergunning te verlenen. Door de eigenaars van het naastgelegen bouwperceel is hiertegen beroep ingediend en is tevens aan de voorzieningenrechter een verzoek ingediend om het besluit te schorsen.
De eigenaars stellen daarbij dat de realisering van het bouwplan zal leiden tot een onaanvaardbare beperking van de bedrijfsvoering voor een aannemingsbedrijf. Dit aannemingsbedrijf heeft het naastgelegen perceel van de eigenaars in gebruik gekregen en vreest voor klachten van toekom-stige bewoners van het woonzorgcomplex ten aanzien van haar bedrijfsactiviteiten. Het college van B&W stelt zich onder meer op het standpunt dat de verzoekers niet voldoen aan het hierboven genoemde relativiteitsvereiste. Het verzoek om een voorlopige voorziening dient volgens het college daarom te worden afgewezen.
De voorzieningenrechter overweegt dat verzoekers als eigenaar van het naastgelegen perceel weliswaar zijn aan te merken als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 van de Awb, maar dat zij niet voldoen aan het relativiteitsvereiste. De voorzieningenrechter overweegt daartoe dat het ingediende bezwaar en beroep en het verzoek om voorlopige voorziening niet is ingediend namens AVK. Uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel blijkt dat verzoekers geen bestuurders van AVK zijn en ook niet verantwoordelijk zijn voor de directie van AVK. Tussen de eigenaars en AVK bestaat aldus geen enkele juridische band. Desondanks komen de eigenaars op voor belangen die louter zien op de bedrijfsvoering van AVK welke hinder dreigt te ondervinden bij realisering van het woonzorgcomplex.
Om reden dat het verzoek en het beroep zich enkel richten op belangen van AVK en niet op die van de eigenaars zelf kunnen de aangevoerde gronden er niet toe leiden dat de bouwvergunning zou moeten worden vernietigd voor zover de aangevoerde gronden zouden slagen. Het verzoek wordt aldus afgewezen en het beroep wordt ongegrond verklaard.
De eigenaars van het nabijgelegen perceel hadden dit probleem eenvoudig kunnen voorkomen door aannemingsbedrijf AVK te verzoeken bezwaar en beroep aan te tekenen.
Ook hadden de eigenaars naar mijn mening kunnen stellen dat zij zelf direct door het besluit worden geraakt: het perceel wordt immers minder waard als de gebruiksmogelijkheden worden beperkt. Dat is een direct eigen belang van de eigenaren, waardoor aan het relativiteitsvereiste wordt voldaan. Door alleen in te gaan op de belangen van de aannemer, hebben de eigenaren zichzelf tekort gedaan.
Overigens ligt er momenteel een wetsvoorstel (Wet aanpassing bestuursprocesrecht) bij de Tweede Kamer waarin wordt voorgesteld om het relativiteitsvereiste in het gehele bestuursrecht te introduceren. Dat er een wetsvoorstel klaar ligt betekent echter nog niet dat hierop al mag worden geanticipeerd, zo oordeelde de bestuursrechter van de rechtbank Utrecht onlangs.
Permanent maken Crisis- en Herstelwet
Het ministerie van I&M gaat het omgevingsrecht eenvoudiger maken. De eerste stap is het permanent maken van de Crisis- en Herstelwet (Chw).
De VNG is in het algemeen positief over het permanent maken van de Chw.
VNG-reactie
De Chw is nog maar kort in werking. Het is daarom moeilijk te zeggen welke wijzigingen echt leiden tot een versnelling van trajecten. De VNG is in het algemeen positief over het permanent maken van de wet. Wel hebben wij in een brief aan minister Schultz enkele vragen gesteld en opmerkingen meegegeven over de Chw en de algemene verbeteringen omgevingsrecht.
Meer informatie
Chw: beperkt beroepsrecht voor gemeenten
In de Crisis- en herstelwet wordt het beroepsrecht van decentrale overheden bij de bestuursrechter beperkt. Wat betekent die beperking voor gemeenten? Hieronder vindt u een toelichting op deze kwestie.
In de Chw wordt het beroepsrecht van decentrale overheden bij de bestuursrechter beperkt (artikel 1.4 Chw). Net zoals bij de andere bepalingen uit afdeling 2 het geval is geldt deze bepaling alleen voor besluiten, die zijn genomen in het kader van projecten die genoemd of omschreven staan in de bijlage I en II en de latere toevoegingen via artikel 1.2 Chw. Dit kunnen besluiten van de centrale overheid zijn, maar ook provinciale inpassingsplannen etc.
Gevolg
Wat houdt de beperking in?
-
Een gemeente kan als publiekrechtelijke rechtspersoon geen beroep meer instellen bij de bestuursrechter tegen een besluit, als dat niet aan deze rechtspersoon of een orgaan daarvan is gericht.
-
Dit geldt ook voor daartoe behorende bestuursorganen zoals het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad,
Geen beroepsrecht
Ter illustratie het volgende. Een gemeente, noch het college van burgemeester en wethouders van die gemeente, kan/kunnen beroep instellen tegen een onder de Chw vallend tracébesluit tot aanleg van een snelweg langs of binnen haar grondgebied. Ook wanneer de gemeente eigenaar is van grond waarop de snelweg is geprojecteerd, heeft zij geen beroepsrecht.
Wel beroepsrecht
Beroep bij de bestuursrechter blijft wel mogelijk als een decentrale overheid de geadresseerde is van een besluit. Dus vraagt een gemeente zelf een vergunning aan voor een Chw-project en wordt deze aanvraag afgewezen, dan heeft zij als geadresseerde van het besluit wel beroepsrecht. Benadrukt wordt dat decentrale overheden kunnen participeren in bestuurlijke voorprocedures.
Meer informatie vindt u hier
Verschoonbare termijn overschrijding Crisis- en herstelwet
Op 23 febrauri 2011 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bepaald dat, indien niet is vermeld dat de Chw van toepassing is en dat daarom de beroepsgronden in het hogerberoepschrift moeten worden opgenomen, een belanghebbende, nu in de Chw wordt afgeweken van de Awb en uit een oogpunt van kenbaarheid van wettelijke bepalingen, in beginsel niet kan worden tegengeworpen dat hij de gronden van het hoger beroep niet binnen de beroepstermijn heeft aangevoerd.
2.2. Ingevolge artikel 1.6, tweede lid, van de Chw is in afwijking van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) het beroep niet-ontvankelijk indien het beroepschrift niet de gronden van het beroep bevat zoals bepaald in artikel 6:5, eerste lid, onderdeel d, van die wet. Ingevolge artikel 1.9a van de Chw is artikel 1.6 van overeenkomstige toepassing in hoger beroep. Het ligt op de weg van de rechtbank om duidelijkheid te verschaffen over de rechtsmiddelen tegen een onder de reikwijdte van de Chw vallend besluit. Indien in de rechtsmiddelenverwijzing, zoals in dit geval, niet is vermeld dat de Chw van toepassing is en dat daarom de beroepsgronden in het hogerberoepschrift moeten worden opgenomen, kan een belanghebbende, nu in de Chw wordt afgeweken van de Awb en uit een oogpunt van kenbaarheid van wettelijke bepalingen, in beginsel niet worden tegengeworpen dat hij de gronden van het hoger beroep niet binnen de beroepstermijn heeft aangevoerd. Dit is slechts anders indien aannemelijk is dat de belanghebbende anderszins wist of kon weten dat na afloop van de termijn voor het instellen van hoger beroep geen gronden kunnen worden aangevoerd. Die situatie doet zich hier niet voor.

