Wijziging crisis- en herstelwet
De wijziging van de Crisis- en herstelwet zal volgende week door de Tweede Kamer worden behandeld. Daarna dient het nog door de Eerste Kamer te worden behandeld.
Verwachting bij het ministerie is dat deze wijziging nog op 1 juli 2011 in werking zal treden. Dit lijkt mij niet mogelijk. Hopelijk treedt de wijziging alsnog in werking op 1 oktober van dit jaar.
Projectbesluit VS Bestemmingsplan deel II
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft (nogmaals) invulling gegeven hoever een projectbesluit kan gaan. Een projectbesluit dient voldoende concreet te zijn en zien op een project. In onderhavig geval is daar geen sprake van.
2.2.1. Het verzoek van [appellante] van 30 juni 2008 ziet op de bouw van één of twee seniorenwoningen. [appellante] heeft in dit verzoek, alsmede in de daarop volgende procedure, niet aangegeven wat de locatie van de woning(en) is, noch de omvang en bouwhoogte daarvan. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraken van 2 maart 2011, zaak nr. 201007153/1/H1, en 2 mei 2007, zaak nr. 200605868/1) moet een project in de mate van concreetheid te onderscheiden zijn van de normering neergelegd in een bestemmingsplan. Hoewel de wetgever het begrip 'project' niet nader heeft gedefinieerd betekent dit niet dat iedere activiteit die in ruimtelijke zin in plaats, afmeting en functie is te begrenzen, zich leent voor de toepassing van de projectprocedure als bedoeld in artikel 19 van de WRO. In aanmerking genomen dat de omvang, locatie en bouwhoogte van de woning(en) niet is aangegeven, is het verzoek van [appellante] niet voldoende concreet en ziet het niet op een project. Het college heeft haar verzoek dan ook terecht, zij het op andere gronden, afgewezen. De rechtbank heeft dat niet onderkend. Dit leidt echter niet vernietiging van de aangevallen uitspraak nu de rechtbank het beroep terecht ongegrond heeft verklaard.
Projectbesluit VS Bestemmingsplan
Bij een projectbesluit voor een concreet bouwplan zijn "bestemmingsregels" opgenomen, die onder meer voorzien in een algemene ontheffingsmogelijkheid, de mogelijkheid van ontheffing van de bouw- en gebruikregels , een antidubbeltelregel en overgangsrecht.
In de lijn van de Afdelingsuitspraak van 1-09-210,LJN BN5725, acht de voorzieningenrechter dit in strijd met het bepaalde in artikel 3.10,derde lid, van de Wro.
16. Mede gelet op de uitspraak van de AbRS van 1 september 2010 is de voorzieningenrechter van oordeel dat moet worden geconcludeerd dat verweerder hier in strijd met het bepaalde in artikel 3.10, eerste lid, van de Wro zijn bevoegdheid om een projectbesluit te nemen niet slechts heeft aangewend voor het verwezenlijken van een concreet project. Het projectbesluit zet niet alleen voor het desbetreffende project het geldende bestemmingsplan opzij, maar geeft extra ruimte daartoe. In het geval vergunninghouder overeenkomstig de in de regels opgenomen ontheffingsregels zijn bouwplan zou wijzigen, zou verweerder dit niet kunnen afwijzen vanwege strijd met het bestemmingsplan. Anders dan verweerder en vergunninghouder menen maakt deze extra ruimte het aldus mogelijk een ander bouwplan te realiseren. De in het projectbesluit opgenomen regels kunnen, omdat zij niet zijn toegesneden op het voorliggende bouwplan, niet worden gezien als voorschriften en beperkingen in de zin van artikel 3.10, derde lid, van de Wro. Zij hebben het karakter van een voor herhaalde toepassing geschikt ruimtelijk toetsingskader voor nog niet geconcretiseerde bouwplannen. In deze zin is de onderhavige zaak dan ook vergelijkbaar met de zaak waarover de ABRS had te oordelen.
Dat de in het projectbesluit opgenomen regels niet wezenlijk verschillen van de bepalingen van het bestemmingsplan ‘Tongelre buiten de ring 2005’, wat daar overigens van zij, kan aan het voorgaande niet afdoen.
Bij een projectbesluit dient er een concreet bouwvoornemen te zijn
Overgangsrecht Wabo ten aanzien van vrijstelling WRO en projectbesluit
Op 7 oktober 2010 heeft de Minister antwoord gegeven op Kamervragen met betrekking tot het overgangsrecht projectbesluit en Wabo. Onder punt 5 wordt het antwoord gegeven op de vraag: “Biedt de overheid (lokaal, regionaal en nationaal) niet juist een afdoende mate van rechtszekerheid aan de vergunningaanvragers en samenleving, door het overgangsrecht zo toe te passen op de situatie dat er wel een artikel 19-procedure onder de oude WRO is doorlopen, terwijl er nog geen concrete bouwvergunning is afgegeven?”. Het volledige document treft u aan via deze link.
Samengevat wordt gesteld dat het hiaat in het overgangsrecht ook geldt voor separate besluiten ingevolge artikel 19, eerste, tweede of derde lid, van de oude WRO. Ook voor deze besluiten zal het ontwikkelde voorstel alsnog in overgangsrecht voorzien. Een soepele toepassing van het geldende overgangsrecht, waardoor eerdere separate projectbesluiten en artikel 19 WRO-besluiten alsnog bruikbaar blijven, is in strijd met de wet. Er zal dus zowel voor de vrijstelling ex artikel 19, lid 2 WRO (afwijken gebruik bestemmingsplan) als voor de bouwvergunning (bouwactiviteit) een omgevingsvergunning
moeten worden aangevraagd.
Het hierboven weergegeven antwoord is geformuleerd naar aanleiding van een gestelde vraag aan het Ordito Wabo Loket. Heeft u ook een prangende vraag op het gebied van de Wabo, dan kunt u deze kwijt bij het Ordito Wabo Loket: wabo@ordito.nl
Posted: 2010-10-18 20:14:46
Geen rechtsmiddel tegen de weigering van een projectbesluit (zonder aanvraag om bouwvergunning)
Immers, gelet op artikel 46, zesde lid, van de Woningwet kan de beslissing omtrent de aanvraag om een projectbesluit dat ziet op bouwvergunningplichtige activiteiten zoals hier aan de orde, niet afzonderlijk van de beslissing omtrent de bouwvergunning in rechte worden aangevochten. Gelet op de bewoordingen van dit artikellid geldt dit dus zowel bij een toewijzende als een afwijzende beslissing op een dergelijke aanvraag. Uit de wetsgeschiedenis komt voorts naar voren dat deze bepaling mede ziet op de situatie, dat de aanvraag om een projectbesluit separaat en voorafgaande aan de aanvraag om een bouwvergunning wordt ingediend (Tweede Kamer, 2007-2008, 31295, nr. 7, pp. 33 en 34).
Dit leidt tot de conclusie dat, ook indien partijen in hun gezamenlijke betoog zouden worden gevolgd, tegen de weigering van het projectbesluit geen rechtsmiddel kan worden aangewend.
Projectbesluit niet toepasbaar als toetsingskader voor nog niet geconcretiseerde bouwplannen
Hieruit volgt dat de bevoegdheid een projectbesluit vast te stellen niet kan worden aangewend om, vooruitlopend op de vaststelling van een bestemmingsplan, een toetsingskader vast te stellen voor een groot aantal nog niet geconcretiseerde bouwplannen dat het geldende plan vervangt. Een projectbesluit kan slechts voorzien in de behoefte om, vooruitlopend op de vaststelling van een bestemmingsplan, een concreet bouwvoornemen te verwezenlijken dat, gelet op artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wro, wijzigingen aanbrengt in de fysieke leefomgeving. Weliswaar kunnen krachtens artikel 3.10, derde lid, van de Wro voorschriften en beperkingen aan een projectbesluit worden verbonden, maar die dienen op het project te zijn toegesneden. Artikel 3.10, eerste lid, gelezen in verbinding met het derde lid, van de Wro voorziet niet in de mogelijkheid om bij een projectbesluit algemeen verbindende voorschriften vast te stellen. Gelet op het vorenstaande zal een projectbesluit dat ingevolge artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder f, betrekking heeft op een project zich in de mate van concreetheid moeten onderscheiden van de normering neergelegd in een bestemmingsplan die in het algemeen betrekking heeft op een groot aantal mogelijke projecten.
Digitale ter inzage legging bij projectbesluit
2.22.2 (…) De zinsnede "met de hierbij behorende stukken" in artikel 3.8, eerste lid, onder a, van de Wro wijkt af van de zinsnede "met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp" die is opgenomen in artikel 3:11, eerste lid, van de Awb. Laatstgenoemde zinsnede heeft in ieder geval mede betrekking op de onderliggende stukken, waaronder de onderzoeksrapporten, met betrekking tot het ontwerp.
Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening (Kamerstukken II 2006/07, 30 938, nr. 3, blz. 46) blijkt dat bewust is gekozen voor het verschil in terminologie en dat de wetgever ervan uitgaat dat de zinsnede "met de hierbij behorende stukken" in artikel 3.8, eerste lid, onder a, van de Wro uitsluitend ziet op het ontwerp-bestemmingsplan met de daarbij behorende toelichting.
Gelet op het vorenstaande moet genoemde bepaling aldus worden uitgelegd dat deze in ieder geval de verplichting inhoudt om het ontwerp-bestemmingsplan, dat wil zeggen de verbeelding en de planregels, en de toelichting bij het ontwerp-bestemmingsplan via elektronische weg beschikbaar te stellen. Deze verplichting strekt zich naar het oordeel van de Afdeling eveneens uit tot de bijlagen die zijn opgenomen bij de planregels, zoals een Staat van Bedrijfsactiviteiten, en tot de bijlagen die zijn opgenomen bij de plantoelichting en die daarvan onderdeel uitmaken. (…)
Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Invoeringswet ruimtelijke ordening (Kamerstukken II 2006/7, 30 938, nr. 3, blz. 47) blijkt dat de wijzigingen in artikel 3.11, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro parallel lopen aan die welke in artikel 3.8, eerste lid, aanhef en onder a, zijn aangebracht. Onder deze omstandigheden moet artikel 3.11, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro aldus worden uitgelegd dat deze bepaling in ieder geval de verplichting inhoudt om het ontwerp-projectbesluit met de daarbij behorende toelichting, derhalve de ruimtelijke onderbouwing van dat besluit, via elektronische weg beschikbaar te stellen.
