Banner
Banner
Toon items op tag: planschade
vrijdag, 06 januari 2012 23:12

Planschade:overgangsrecht

Een artikel van Annejet Lamme van Wieringa Advocaten.

De Rechtbank Zwolle/Lelystad heeft op 19 december 2011 uitleg gegeven aan het overgangsrecht omtrent planschade en artikel 19-vrijstellingen.

Het betrof een planschadeverzoek, dat was ingediend ná de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Het schadeveroorzakende besluit, een vrijstelling ex artikel 19 van de oude Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) ten behoeve van een woon-zorgcentrum, dateerde van daarvóór.

Niet artikel 49 WRO (oud), maar de nieuwe regeling voor een tegemoetkoming in de planschade (art 6.1 e.v. Wro) is volgens de rechtbank van toepassing, gelet op de datum van indiening van het planschadeverzoek.

In de Wro bestaat een artikel 19 vrijstelling niet meer. In artikel 6.1 lid 2 Wro was onder andere het projectbesluit (artikel 3.10 Wro, oud) als schadeveroorzakend besluit genoemd. Inmiddels bestaat ook deze figuur niet meer. De opvolger hiervan is de omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 2.1, lid 1 onderdeel c van de Wet algemene bepalingen omgevingswet (Wabo).

Uit het (bij de Crisis- en herstelwet gerepareerde) overgangsrecht bij de Wro volgt dat vóór de inwerkingtreding van de Wro verleende vrijstellingen ex. artikel 19 lid 1 en 2 WRO hun werking ook na de inwerkingtreding van de Wro hebben behouden. Een redelijke uitleg van het overgangsrecht brengt naar het oordeel van de rechtbank mee, dat een artikel 19 vrijstelling op gelijke wijze als een projectbesluit, op voet van artikel 6.1 Wro als oorzaak kan gelden voor toekenning van planschadevergoeding.

Het rechtszekerheidsbeginsel vereist dat planschadevergoedingen als gevolg van artikel 19-vrijstellingen mogelijk moeten blijven. De vraag is wel of deze uitleg van de rechtbank stand zal houden in hoger beroep of dat reparatie van het overgangsrecht door de wetgever nodig is. Door de opeenstapelingen van nieuwe wetgeving op het gebied van ruimtelijke ordening blijft het lastig om dit naadloos op elkaar aan te laten sluiten.

Gepubliceerd in Nieuws Wro
dinsdag, 08 november 2011 16:04

Mildere koers planschade

Een artikel van Max Seelen van Patres.

Voorzienbaarheid

Op het moment dat je een huis koopt en je kunt ‘redelijk denken en handelen’, dan is een planschadeclaim kansloos wanneer je toen had kunnen weten dat de planologische situatie ongunstig voor je zou uitpakken. Je planschade is dan voor eigen rekening, omdat je deze ontwikkeling had kunnen voorzien.

Strenge opvatting

Dit was niet veel anders wanneer deze voorzienbaarheid werd ‘doorbroken’ door een nieuw planologisch regime die wél gunstig voor je zou uitpakken. Voor de voorzienbaarheid was dus alleen de planologische situatie ten tijde van de aankoop van de woning doorslaggevend. Althans, dat was het standpunt van de Afdeling sinds 2009 (ABRvS 16 december 2009, BR 2010/46).

Mildere opvatting

Nu komt de Afdeling weer terug van deze ‘strenge’ opvatting. ‘Weer terug’? Ja, tot 2009 kon de voorzienbaarheid namelijk wél worden doorbroken wanneer er na de koop van je huis een nieuw bestemmingsplan op je perceel van kracht werd die voor jou gunstiger was (onderbroken voorzienbaarheid bepaald in ABRvS 6 oktober 2004, BR 2005/60).

Het zou immers in strijd met de rechtszekerheid zijn als de gemeente in zo’n geval toch uitgaat van de voorzienbaarheid ten tijde van de aankoop van je huis.

De Afdeling gaat nu dus weer om en grijpt terug op de ‘mildere’ opvatting van 2004. 

Wanneer na aankoop van je huis het nieuwe planologisch regime nadeliger is, dan gaat deze regel overigens niet op. Maar dan kun je wel een succesvolle planschadeclaim indienen (tenzij deze verjaard is). 

Bron: ABRvS 20 juli 2011, BR 2011/165, noot (oktober 2011)

Gepubliceerd in Nieuws Wro

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 20 oktober 2011 geoordeeld dat er geen wettelijke plicht bestaat tot het laten uitvoeren van een planschaderisicoanalyse. Wel dient de raad, gelet op artikel 3.1.6, eerste lid, onder f, van het Besluit ruimtelijke ordening, inzicht te bieden in de financiële uitvoerbaarheid van het plan.

2.5.1. In het betoog dat door de raad ten onrechte geen planschaderisicoanalyse is gemaakt ziet de voorzitter evenmin aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening, nu daartoe geen wettelijke verplichting bestaat. Wel dient de raad, gelet op artikel 3.1.6, eerste lid, onder f, van het Besluit ruimtelijke ordening, inzicht te bieden in de financiële uitvoerbaarheid van het plan en daarbij spelen de kosten van mogelijke planschade een rol. In dit geval heeft de raad er terecht op gewezen dat in dat kader een vergelijking zal worden gemaakt tussen het vorige en het huidige planologische regime en heeft de raad zich naar het voorlopig oordeel van de voorzitter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet aannemelijk is dat, gelet op het vorige plan, zodanige planschade zal ontstaan dat geen van de bij de planschadeovereenkomst betrokken partijen de mogelijke schade kan dragen en dat de financiële uitvoerbaarheid niet is verzekerd.

Gepubliceerd in Nieuws Wro

Yordy Soffner schrijft op de weblog van Wieringa Avocaten.

 

Gepubliceerd in Nieuws Wro

De rechtbank van Breda heeft geoordeeld dat van de twee schadefactoren er maar één in stand kan blijven. Dit leidt dat ook tot halvering van de vergoeding. In dit geval had de gemeente planschade toegekend en was de partij, die conform de planschadeovereenkomst de pLanschade moet vergoeden, in beroep gegaan.  Het broep werd gegrond verklaart waardoor eiser slechts de helft van de geraamde planschade moest vergoeden.

De rechtbank is van oordeel dat er geen grond bestaat voor het standpunt dat een dergelijk gebouw met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet kon worden gerealiseerd. Het Bouwbesluit verzet zich niet tegen het realiseren van een bijgebouw met dergelijke afmetingen. Dat een bijgebouw met een goothoogte van 3,3 meter en een nokhoogte van meer dan 6,4 meter niet kan voldoen aan de redelijke eisen van welstand, is door verweerder niet gesteld noch aannemelijk gemaakt. Verweerder heeft ook niet onderbouwd dat een gebouw met een goothoogte van 3,3 meter en met een nokhoogte van meer dan 6,4 meter technisch niet te realiseren is. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 15 december 2010 (LJN: BO7339).

Dit betekent dat de rechtbank met eisers van oordeel is dat de schadefactor ‘verslechtering van uitzicht’ berust op een onjuiste planologische vergelijking. Op grond van het bestemmingsplan mag op de perceelsgrens een bijgebouw worden gebouwd van bijvoorbeeld 10 meter breed, 5 meter diep en met een nokhoogte van meer dan 6,4 meter. De opmerking in het rapport van de SAOZ dat op grond van het bestemmingsplan bijgebouwen mogen worden opgericht met een maximale goothoogte van 3,3 meter met daar boven een bijbehorende kap vindt geen basis in de bestemmingsplanvoorschriften. De door de SAOZ genoemde schadefactor ‘verslechtering van uitzicht’ dient daarom buiten beschouwing te blijven.

Gepubliceerd in Nieuws Wro
Yordy Soffner schrijft op de weblog van Wieringa Avocaten.Het komt met enig regelmaat voor dat een belanghebbende schade lijdt door een nieuw bestemmi
Gepubliceerd in Nieuws Wabo
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 24 november 2010 bepaald dat de grondslag van verhaal van planschade wordt gevormd door
Gepubliceerd in Nieuws Wabo
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bepaald dat het gestelde in het verzoek om planschadevergoeding bepalend is voor de vraag welke planvergelijking dient te worden gemaakt.

2.7.1. In de aanvraag van 11 februari 2008 hebben [appellant] en anderen zich op het standpunt gesteld dat de inwerkingtreding van het bestemmingsplan voor hen "als aangrenzende bewoners/eigenaren" schade heeft opgeleverd. Gelet hierop bestond aanleiding om een vergelijking te maken tussen het uitbreidingsplan in hoofdzaak dat voorheen gold voor het aangrenzende gebied waarop de nieuwe woonwijk "De Vosholen" is gerealiseerd en het daarop van toepassing geworden bestemmingsplan. Voor het maken van een vergelijking tussen het uitbreidingsplan in onderdelen, dat voorheen van toepassing was op de percelen van [appellant] en anderen, en het daarop eveneens van toepassing geworden bestemmingsplan bestond derhalve geen aanleiding. Eerst in hoger beroep, en derhalve te laat, hebben [appellant] en anderen aangevoerd dat ook die vergelijking had moeten worden gemaakt. In deze procedure kan daar dan ook niet meer op worden ingegaan.
Gepubliceerd in Nieuws Wabo
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft zich op 25 augustus uitgesproken over de voorzienbaarheid van een planologische wijziging op basis van een voorbereidingsbesluit.

2.4.1. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 2 december 2009 in zaak nr. 200902002/1/H2) dient de voorzienbaarheid van een planologische wijziging te worden beoordeeld aan de hand van het antwoord op de vraag, of ten tijde van de aankoop van de onroerende zaak voor een redelijk denkend en handelend koper aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie ter plaatse in ongunstige zin zou veranderen. Daarbij dient rekening te worden gehouden met concrete beleidsvoornemens die openbaar zijn gemaakt. Voor voorzienbaarheid is niet vereist dat een dergelijk beleidsvoornemen een formele status heeft.

Een voorbereidingsbesluit kan, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, een dergelijk concreet beleidsvoornemen vormen. Voor zover dat besluit inhoudelijke aanwijzingen bevat dat een planologische wijziging kan worden verwacht, kan het als basis voor voorzienbaarheid fungeren.
Gepubliceerd in Nieuws Wabo