Banner
Banner

Een artikel van Max Seelen van Patres.

Je krijgt een bouwaanvraag binnen die in strijd is met het bestemmingsplan. Als je hiervoor niet van het bestemmingsplan wil afwijken, dan moet je de vergunning weigeren (artikel 2.10 Wabo).

Beroep op overgangsrecht

De aanvrager geeft zich echter niet zomaar gewonnen. Hij beroept zich op het overgangsrecht voor bouwwerken, omdat het bouwplan op de bestaande fundering wordt gebouwd. Volgens de aanvrager mag je immers bouwwerken onder het overgangsrecht gedeeltelijk vernieuwen of veranderen, zolang de afwijking met het geldende bestemmingsplan maar niet naar aard en omvang wordt vergroot.

Verweer tegen dit beroep

Maar helaas (voor de aanvrager dan). Het bouwen op een bestaande fundering mag je niet zien als ‘gedeeltelijk vernieuwen of veranderen’ in de zin van de standaardovergangsbepalingen (zowel van ‘oude’ bestemmingsplannen als van de huidige standaard overgangsbepalingen van het Besluit ruimtelijke ordening). De rechter ziet dit toch al gauw als een gehele vernieuwing van een bouwwerk. En dan gaat een beroep op het overgangsrecht voor bouwwerken niet op (ABRvS 10 maart 2004, 200304428/1).

Dit geldt zeker wanneer er ook nog eens een bouwwerk ‘terugkomt’ met andere afmetingen en een ander uiterlijk (ABRvS 3 april 2009, 200901002/1/H1 en 200901002/2/H1).

Bron: ABRvS 2 mei 2012, 201110710/1/A1


Gepubliceerd in Nieuws Wro
donderdag, 19 april 2012 13:56

Koper belanghebbende bij bestemmingsplan?

Een artikel van Yordy Soffner van Wieringa Advocaten.

Kan een koper van een perceel belanghebbende zijn bij een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, ook wanneer hij nog geen juridisch eigenaar is? Deze vraag kwam onlangs aan de orde in een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 maart 2012.

In deze zaak is beroep ingesteld tegen het besluit van de raad van de gemeente Muiden tot vaststelling van een nieuw bestemmingsplan. Appellante was koper van een perceel dat onder de reikwijdte van het bestemmingsplan viel. De juridische eigendom van het perceel was echter nog niet overgedragen aan appellante en behoorde nog toe aan de verkoper. Nadat de gemeenteraad een nieuw bestemmingsplan had vastgesteld, kwam appellante hiertegen in beroep.

Volgens de gemeenteraad diende het beroep van appellante niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat appellante geen belanghebbende is bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan. Volgens de raad ontbreekt het rechtstreekse belang bij de koper. Op grond van artikel 8.2. lid 1 onder a Wro kan beroep tegen een bestemmingsplan namelijk alleen door een belanghebbende worden ingediend. Onder belanghebbende wordt ingevolge artikel 1.2 Awb verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

De Afdeling overweegt, met verwijzing naar haar eerdere uitspraak van 28 mei 2008, dat een koper, voordat het juridisch eigendom aan hem is overgedragen, onder omstandigheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang kan hebben. In die eerdere uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat waarde toekomt aan de inhoud van de koopovereenkomst, in het bijzonder of daarin een ontbindende voorwaarde is opgenomen alsmede voorwaarden die bepalen wie de risico's van waardevermeerdering en waardevermindering van het perceel draagt.

In de door appellante overgelegde brief en registerverklaringen staat dat zij een koopovereenkomst met betrekking tot gronden uit het bestemmingsplan heeft gesloten en dat de oorspronkelijk geplande leveringsdatum voor onbepaalde tijd is verlengd. Gelet hierop oordeelt de Afdeling dat het vermoeden bestaat dat de risico's van waardevermeerdering en waardevermindering nog niet op appellante is over gegaan, maar nog steeds op de verkoper rust. Daar komt bij dat appellante bij herhaling is verzocht om toezending van de koopovereenkomst, maar aan dit verzoek is nimmer gehoor gegeven. Ook was zij noch haar gemachtigde ter zitting aanwezig om vragen over de inhoud hiervan te beantwoorden.

Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat appellante niet heeft aangetoond dat de inhoud van de koopovereenkomst met zich brengt dat zij een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang heeft. Het beroep van appellante dient naar het oordeel van de Afdeling ingevolge art. 8.2 lid 1, onder a Wro, gelezen in samenhang met art. 1:2, lid 1 Awb, niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Wanneer valt uit de inhoud van de koopovereenkomst dan wel af te leiden dat de koper belanghebbende is?

In de reeds genoemde uitspraak van 28 mei 2008 kwam de Afdeling tot de conclusie dat de koper wél belanghebbende was nu in de koopovereenkomst een vaste koopprijs van de percelen was vastgelegd, waardoor een waardestijging dan wel -daling voor risico van de koper kwam. Daarnaast hadden partijen geen ontbindende voorwaarde opgenomen voor het geval het gewenste gebruik van het perceel als gevolg van het in ontwikkeling zijnde/komende bestemmingsplan niet langer mogelijk is. Ook was in de koopovereenkomst opgenomen dat de verkoper terzake van de publiekrechtelijke mogelijkheden van woningbouw op het perceel geen garantieverplichting jegens de koper heeft. Gelet op deze omstandigheden had de koper wel een rechtstreeks belang bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan.

Gepubliceerd in Nieuws Wro

Een artikel van Pjotr Lanting van Wieringa Advocaten

De Amsterdamse discotheek Panama was recentelijk in het nieuws wegens een faillissement en vervolgens een doorstart. Omwonenden procederen al jaren tegen de club wegens overlast.


Op 11 april jl. heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State een tussenuitspraak gedaan in de beroepsprocedure van buurtbewoners tegen het bestemmingplan ‘oostelijke handelskade 4', waarin Panama wordt toegestaan. De gronden van het beroep zijn onder andere dat de stadsdeelraad ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de overlast die wordt veroorzaakt in de openbare ruimte, zoals door verkeer en luidruchtige bezoekers, dat onvoldoende onderzoek is verricht naar een alternatieve locatie voor de club en dat er geen goed woon- en leefklimaat in de omgeving kan worden gegarandeerd wegens geluidhinder door de muziek.

De Afdeling wijst vrijwel alle aangevoerde gronden af en laat het bestemmingsplan in stand. De stadsdeelraad heeft de overlast voldoende bij zijn belangenafweging betrokken en heeft beleidsvrijheid bij het bepalen van de locatie. Wel acht de Afdeling het plan onvolledig over geluidhinder. Artikel 2.17 van het ‘Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer' (Barim) bevat relevante geluidnormen. Uit onderzoek blijkt dat de discotheek hieraan kan voldoen na het treffen van geluidwerende voorzieningen. Bezwaren tegen de juistheid van dit onderzoek en de stelling dat deze voorzieningen onuitvoerbaar zijn, zijn ongegrond verklaard. Artikel 2.20 van het Barim biedt echter de mogelijkheid voor de stadsdeelraad om afwijkende hogere geluidnormen vast te stellen. Voor de noodlijdende Panama zou dit positief zijn, aangezien zij dan kan besparen op de zeer dure geluidwerende voorzieningen. Aangezien het stadsdeel noch heeft uitgesloten artikel 2.20 toe te passen, noch heeft gemotiveerd dat ook bij toepassing daarvan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd, bevat het bestemmingsplan een motiveringsgebrek, aldus de Afdeling. De stadsdeelraad is in de gelegenheid gesteld dit gebrek binnen 24 weken te herstellen.

Op de website van Stadsdeel Oost meldt verantwoordelijk wethouder Jeroen van Spijk: ‘Ik wil onderzoeken of verhoging mogelijk is. Indien dit niet het geval is, moet Panama het doen met de huidige geluidsnorm.'

Gepubliceerd in Nieuws Wro

Een artikel van Max Seelen van Patres

Bestemmingsplan als kapstok

Een bestemmingsplan wordt steeds meer als kapstok gebruikt om allerlei (milieu)aspecten aan te hangen. Deze aspecten moeten dan natuurlijk wel ruimtelijk relevant zijn. Zodra een activiteit een positieve of negatieve invloed heeft op het gebruik van gronden of bouwwerken, dan moet je dit al in een bestemmingsplan regelen en onderzoeken in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’.

En dit ‘gebruik’ moet je natuurlijk ruim zien. Hier valt namelijk niet alleen het gebruik (in enge zin) onder, maar ook bouwen en aanlegwerkzaamheden.

Nieuwe Omgevingswet

Zoals het er nu naar uitziet, zal het fenomeen bestemmingsplan onder de Omgevingswet in een nieuw jasje worden gestoken, namelijk in een omgevingsverordening.

Als je de stukken van de minister hierover leest, dan lijkt het er op dat er nog meer aspecten onder een ‘goede ruimtelijke ordening’ zullen vallen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan ‘duurzaamheid’. Anders dan nu (ABRvS 10 augustus 2011, JM 2011/112, noot), zul je dan ook dit aspect moeten meewegen.

Tot zover de toekomst. Terug naar het heden.

‘Ongezond’

Nu zie je de laatste jaren dat ook gezondheidsrisico’s als ruimtelijk relevant betiteld worden. Deze risico’s beïnvloeden immers het woon- en leefklimaat en hebben dus een negatieve invloed op het gebruik van gronden en woningen. Denk hierbij aan:

  • Gezondheidsrisico’s ten aanzien van bestrijdingsmiddelen (ABRvS 10 januari 2012, 201104310/1).
  • Gezondheidsrisico’s ten aanzien van dierziekten (ABRvS 9 maart 2011, 201003645/1).
  • Gezondheidsrisico’s ten aanzien van de magneetveldzone van hoogspanningsmasten (ABRvS 25 januari 2012, 201106189/1).

Niet ‘ongezond’

Anders dan bij bijvoorbeeld gezondheidsrisico’s ten aanzien van de magneetveldzone van hoogspanningsmasten, vindt – onder meer – de Gezondheidsraad bij UMTS-straling dat mensen hier geen klachten van kunnen krijgen (ABRvS 24 augustus 2011, 201101494/1/H1).

Kortom, gezondheidsrisico’s zijn ruimtelijk relevant, zolang (uiteraard) is aangetoond dat deze risico’s ook daadwerkelijk aanwezig zijn.

Bron: ABRvS 25 januari 2012, JM 2012/41, noot & de overige genoemde jurisprudentie

Gepubliceerd in Nieuws Wro

Een artikel van Max Seelen van Patres.

Bestuurlijk vooroverleg is de regel
Zoals bekend, is het bestuurlijk vooroverleg met de provincie of het waterschap een verplicht nummertje in een bestemmingsplanprocedure (artikel 3.1.1, lid 1 Bro).

Uitzondering 1
Dit is alleen anders wanneer deze partijen aangeven dat hier geen behoefte aan is (artikel 3.1.1, lid 2 Bro). Zo zal er geen behoefte bestaan aan dit vooroverleg wanneer er geen provinciale belangen in het geding zijn.

Uitzondering 2
Maar er bestaat nog een mogelijkheid om van deze overlegverplichting af te zien. Van het bestuurlijke vooroverleg kun je ook afzien wanneer de herziening van je bestemmingsplan gering of planologisch ondergeschikt is. Een simpel overlegje of zelfs helemaal geen overleg kan dan prima door de beugel (nota van toelichting, blz. 29; Stb. 2008, 145).

Voor de goede orde: wanneer je plan voorziet in de mogelijkheid om na uitwerking meer dan 200 woningen te realiseren, dan is er natuurlijk geen sprake van een planologisch ondergeschikt of gering belang (ABRvS 18 januari 2012, TBR 2012/52). Iedere verdere toelichting hierover lijkt mij overbodig.

Wat te doen bij twijfels?
Ga niet te gauw uit van de 2e uitzondering. Bel even naar de provincie als je twijfels hebt of je bestuurlijk vooroverleg moet voeren. De provincie hoeft haar standpunt hierover immers niet in een besluit te gieten. Dat kan ook mondeling (ABRvS 19 mei 2010, TBR 2010/148). Voor het procesdossier is het dan wel handig als je even een korte telefoonnotitie maakt.


Herkansing?
Het afzien van het bestuurlijke vooroverleg is dus de uitzondering. Mocht je je hier nu in vergissen en je zit al in de beroepsfase, dan bestaat er nog een kans dat de rechter je hiertoe nog even de gelegenheid geeft (ABRvS 17 november 2010, 200908901/1/T1/R1).

Wanneer geen herkansing
Alleen je overspeelt je hand wanneer je daarnaast het vaststellingsbesluit niet direct naar de provincie hebt gestuurd, terwijl je dat wel had moeten doen (in de zin van artikel 3.8, lid 4 Wro). De provincie heeft immers een deadline (6 weken na de vaststelling) om nog tijdig een reactieve aanwijzing (artikel 4.2 Wro) te geven.

En een ‘verschoonbare termijnoverschrijding’ voor de provincie (Gedeputeerde Staten) om alsnog een reactieve aanwijzing te geven zit er ook niet in.

Dan rest er voor Gedeputeerde Staten niks anders om in beroep te gaan. En in dát geval met succes. Je bestemmingsplan zal dan sneuvelen.

Bron: ABRvS 18 januari 2012, TBR 2012/52, noot (maart 2012)

Gepubliceerd in Nieuws Wro

Een artikel van Max Seelen van Patres.

Uitgangspunten MER borgen in het plan
Wanneer je in een milieueffectrapportage (MER) voor een ruimtelijke ontwikkeling bepaalde uitgangspunten hanteert, vergeet dan niet deze uitgangspunten te waarborgen in de planregels.

Dit gebrek aan afstemming tussen deze MER en het bestemmingsplan is overigens wel te repareren. Je moet hiervoor alsnog de juiste planregeltjes opnemen.

Voorbeeld
In deze zaak voorzag het bestemmingsplan in een evenemententerrein met gebouwen en een bungalowpark met maximaal 350 vrijstaande recreatiewoningen. Voor het plan was een MER noodzakelijk. In deze MER werden een aantal uitgangspunten gehanteerd.

Recreatiewoningen & geluidshinder
In ieder geval juist was het uitgangspunt dat de beoogde recreatiewoningen bescherming kregen tegen geluidhinder. Deze eis wordt opgelegd vanuit een ‘goede ruimtelijke ordening’.

Wanneer immers regelmatig en voor een langere periode deze recreatiewoningen ook als zodanig worden gebruikt (nachtverblijf is bijvoorbeeld planologisch toegestaan), dan moet je deze woningen vanuit een ‘goede ruimtelijke ordening’ ook bescherming tegen geluidhinder bieden.

Overigens biedt de Wet geluidhinder voor deze recreatiewoningen geen bescherming.

Tot zover niks aan de hand.

Evenementenkalender in planregels
Voor het nieuwe evenemententerrein werd een indicatieve evenementenkalender voor de verkeers- en geluidsberekeningen als uitgangspunt genomen. En dan gaat het mis. De evenementenkalender had geen bindende werking, simpelweg omdat deze kalender niet in de planregels was opgenomen.

Aard, aantal & omvang evenementen in planregels
Verder had de MER als doel gesteld dat de overige evenementen op het evenemententerrein geen overschrijding van de grenswaarde van 50 dB(A) zouden veroorzaken (afgezien van het driedaagse festival Lowlands).

Tussen haakjes: de Afdeling bestempelde het bungalowpark als het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. En hier hoort volgens de Afdeling de voorkeursgrenswaarde van 45 dB(A) bij, zodat je ook vraagtekens kon plaatsen of met de berekende geluidsbelasting van 50 dB(A) wel een aanvaardbaar leefklimaat zou bestaan. Maar goed.

Om de dus toch al twijfelachtige doelstelling te halen, ging men in de MER bij de berekening van deze geluidsbelasting op het nieuwe bungalowpark uit van een bepaald aantal evenementen, voor een bepaalde duur en met een bepaald aantal bezoekers per evenementendag.

Een ‘mooie’ doelstelling met goede uitgangspunten. Alleen je hebt er niks aan. De uitgangspunten om tot deze doelstelling te komen waren niet vastgelegd in de planregels. De beoogde maximale geluidsbelasting was dan ook onvoldoende gewaarborgd in het plan.

Vorig jaar is al een paar keer bepaald (ABRvS 5 januari 2011, 200904136/1/R3, ABRvS 16 februari 2011, TBR 2011/99 en ABRvS 13 juli 2011, 200903724/1/R3) dat je in de planregels voor een evenemententerrein moet aangeven hoeveel evenementen, welke soort evenementen en hoeveel bezoekers dit evenemententerrein met zich mee zal brengen. De rechtszekerheid gebiedt immers duidelijkheid te bieden over de vraag welke milieugevolgen voor de omgeving van de evenementen kunnen optreden.

Ook zijn hierbij andere ruimtelijke aspecten, zoals verkeersaspecten, van belang. Denk hierbij aan de belasting van de aan- en afvoerwegen en de parkeerdruk die de beoogde evenementen met zich mee zullen brengen.

Begrippen in planregels
Ook ging men in de MER er van uit dat er alleen ‘kleinschalige en geluidarme evenementen’ zouden worden georganiseerd.

Maar in het plan werd het begrip ‘kleinschalig evenement’ wel gedefinieerd in de planregels, maar kwam dit begrip niet meer in de regels van de bestemming terug. In die regels werd alleen gesproken over een ‘evenement’. Het begrip ‘kleinschalig evenement’ was daarom betekenisloos. Volgens de regels van de bestemming waren er immers ook andere evenementen mogelijk.

Herkansing
De raad kreeg van de Afdeling een herkansing. Zo moest de raad alsnog de uitgangspunten van de MER waarborgen in de planregels.

Bron: afgelopen week bepaald in ABRvS 29 februari 2012, 201002029/1/T1/R2


Gepubliceerd in Nieuws Wro

Een artikel van Max Seelen van Patres.

Kennelijk weet nog niet iedereen dat alleen de regels en de verbeelding van een bestemmingsplan doorslaggevend zijn bij het bepalen of een bouwplan in strijd is (of in overeenstemming is) met dit bestemmingsplan (ook bepaald in ABRvS 2 december 2009, 200900961/1/H1).

De toelichting van een bestemmingsplan maakt dus geen onderdeel uit van het ‘juridische’ plan. Een bestemmingsplan en een ontwerp gaan immers ‘vergezeld’ van een toelichting (artikel 3.1.6 Bro).

Wel kan de toelichting een belangrijke rol spelen bij de interpretatie van de bestemming en de daarbij behorende regels.

Mocht er daarom nog interpretatieruimte zitten in die regels, schenk dan ook genoeg aandacht aan de artikelsgewijze toelichting op de regels van het bestemmingsplan. Dat kan niet alleen handig zijn bij het toetsen van bouw-, aanleg- of sloopvergunningen aan het plan, maar ook bij handhavingszaken natuurlijk.

De toelichting van een bestemmingsplan vervult dus ‘slechts’ een bijrol bij de juridische toetsing. Maar deze bijrol kan wel met glans worden vervuld, wanneer met de artikelsgewijze toelichting zoveel mogelijk interpretatiediscussies worden voorkomen.

Bron: begin deze maand bepaald in ABRvS 1 februari 2012

Gepubliceerd in Nieuws Wro

Een artikel van De Voort Advocaten | Mediators, sectie vastgoed & overheden. Door Mr. Frank Sanders.

Op 15 februari 2012 deed de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) een heldere uitspraak waarin de bevoegdhedenverdeling omtrent bestemmingsplannen weer eens aan bod kwam (201109207/1/R2, LJN: BV5098).

De 4 Winden BV heeft (althans, zo valt te begrijpen uit de uitspraak) in de aanloop naar het indienen van een verzoek tot vaststelling van een bestemmingsplan frequent en diepgaand overleg gevoerd met het college van B&W van de gemeente Putten.

De raad van de gemeente Putten besloot het door De 4 Winden BV gewenste bestemmingsplan (dat overigens voorzag in een landgoed met natuur en bos, de bouw van vier woningen en de omvorming van een bedrijfswoning naar een burgerwoning) niet vast te stellen vanwege verschillende - voor dit artikel niet relevante - redenen. Tegen dit besluit maakte De 4 Winden BV eerst zonder succes bezwaar, waarna zij direct beroep instelde bij de Afdeling.

In beroep heeft De 4 Winden BV gesteld dat de raad het vertrouwensbeginsel heeft geschonden in het licht van hetgeen het college met haar heeft afgesproken. De raad heeft de afwegingen en beslissingen van het college niet laten meewegen, maar de verwachte besluitvorming geweigerd zonder dat daarbij sprake is van gewijzigde inzichten en omstandigheden (r.o. 2.3 van de uitspraak).

De Afdeling maakte met het beroep op het vertrouwensbeginsel korte metten. De Afdeling stelde daartoe dat in het algemeen geen rechten kunnen worden ontleend aan toezeggingen die zijn gedaan door niet ter zake beslissingsbevoegden. De bevoegdheid omtrent het vaststellen van een bestemmingsplan berust niet bij het college, maar bij de raad. Verwachtingen die door het college mogelijk zijn gewekt door mee te werken aan de ontwikkeling van het ontwerpbestemmingsplan en door dit ter (positieve) besluitvorming aan de raad voor te leggen, kunnen er derhalve niet toe leiden dat de raad gehouden was het bestemmingsplan vast te stellen. Voorts binden eventuele afspraken tussen De 4 Winden BV en het college de raad niet. Doordat De 4 Winden BV niet aannemelijk heeft gemaakt dat door of namens de raad verwachtingen zijn gewekt dat het plan vastgesteld zou worden, heeft deze het besluit derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel genomen (r.o. 2.3.1.).

Juridische context

In het hiervoor beschreven geschil komen een aantal - hierna kort te beschouwen - interessante bestuursrechtelijke thema's aan bod.

Vertrouwensbeginsel, bevoegd gezag en delegatiemogelijkheid

Ten eerste de bevoegdheid tot het vaststellen (en weigeren) van een bestemmingsplan. Doorgaans is het college het bevoegde bestuursorgaan om een gemeente te vertegenwoordigen. Het college is tenslotte op grond van artikel 160 lid 1 aanhef en sub a Gemeentewet in ieder geval bevoegd het dagelijks bestuur van de gemeente te voeren, voor zover niet bij of krachtens de wet de raad of de burgemeester hiermee is belast. De bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan komt ex artikel 3.1 Wro exclusief toe aan de gemeenteraad. Ondanks dat artikel 156 lid 1 Gemeentewet een grondslag lijkt te bevatten voor delegatie van deze bevoegdheid aan het college (zoals dat in het geval van andere besluiten vaak het geval kan zijn), is zulks niet mogelijk. De Afdeling oordeelde (op 15 februari 1999, Gst. 7098, 2) dat deze algemene grondslag niet kan worden ingeroepen omdat delegatie aan het college op gespannen voet staat met het stelsel van de (oude) Wro en dat daarom de aard van de bevoegdheid zich tegen delegatie verzet (P.J.J. van Buuren e.a., Hoofdlijnen ruimtelijk bestuursrecht, Deventer: 2010, p. 105). In algemene zin kan en in bovenbedoeld geschil kon het college dus niet eens het bevoegde orgaan zijn om te beslissen over de eventuele vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de Afdeling terecht oordeelde dat De 4 Winden BV geen enkel vertrouwen uit de tijdens het vooroverleg al dan niet geschepte verwachtingen mocht putten.

Opvallend in dit kader is nog te wijzen op de een na laatste zin van r.o. 2.3.1 van de Afdeling: De 4 Winden BV heeft niet aannemelijk gemaakt dat door of namens de raad verwachtingen zijn gewekt dat het plan vastgesteld zou worden. Dat de raad zelf verwachtingen kan wekken spreekt voor zich: dat kan door middel van brieven of (eerdere) raadsvergaderingen. Dat namens de raad verwachtingen kunnen worden gewekt is opmerkelijk en veronderstelt een vertegenwoordingingsconstructie. De Afdeling wijst er hier op dat het mogelijk is dat het college, ondanks dat hij niet het bevoegde orgaan is terzake de vaststelling van een bestemmingsplan, weldegelijk rechtens te honoreren verwachtingen kan wekken namens de raad, mits concreet door de appellant te stellen feiten en omstandigheden daartoe aanleiding geven.

Rechtsbescherming

Tegen een afwijzing van een aanvraag een bestemmingsplan vast te stellen (of te wijzigen) staat de normale bezwaarprocedure open en dus niet de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (UOV) van afd. 3.4 Awb. Artikel 3.8 lid 1 Wro verklaart de UOV weliswaar van toepassing op de voorbereidingsprocedure van een bestemmingsplan, artikel 3.9 Wro verklaart artikel 3.8 vervolgens weer niet toepasselijk voor de afwijzing van een aanvraag. De 4 Winden BV moest dus eerst bezwaar maken tegen het haar onwelgevallige weigeringsbesluit, waarna wel weer direct beroep bij de Afdeling openstond. O.g.v. artikel 8.2 lid 1 aanhef en onder a Wro staat namelijk tegen ieder besluit omtrent vaststelling van onder meer een bestemmingsplan direct beroep bij de Afdeling open. In laatstgenoemde bepaling wordt vaak - ten onrechte - gelezen dat enkel tegen de vaststelling van een bestemmingsplan (en ipso facto dus niet: de afwijzing van een verzoek daartoe) direct beroep bij de Afdeling openstaat, reden waarom de bestuursrechters van de verschillende rechtbanken nog weleens ten onrechte een beroepschrift tegen een dergelijke afwijzing ontvankelijk achten. Erg is dat niet, op grond van artikel 6:15 lid 1 Awb zal de onbevoegde bestuursrechter het beroepschrift zo spoedig mogelijk aan de Afdeling moeten doorzenden.

Gepubliceerd in Nieuws Wro

Een artikel van Max Seelen van Patres.

Stel, B&W maken met jou afspraken over nieuwbouw van een aantal woningen. Hiervoor wordt een ontwerp bestemmingsplan in elkaar geknutseld en vervolgens wordt het plan voorgelegd aan de gemeenteraad.

Alleen de raad ziet het plan helemaal niet zitten en besluit het bestemmingsplan niet vast te stellen. Niemand kan jou dan kwalijk nemen dat je je dan beroept op het vertrouwensbeginsel.

Je vertrouwen is geschaad. Allemaal heel begrijpelijk, maar je koopt hier als initiatiefnemer niks voor. De raad is bevoegd bestemmingsplannen vast te stellen. Niet B&W. Simpel toch?

De raad is daarom ook niet gebonden aan afspraken die jij met B&W hebt gemaakt. Jouw beroep op het vertrouwensbeginsel is dus kansloos.

Dit laat onverlet dat de raad zijn besluit moet motiveren en een gedegen belangenafweging moet maken. Hierbij zullen de afwegingen en de toezeggingen van het college natuurlijk ook de revue moeten passeren.

In deze zaak deed de raad dus wat B&W (als ‘voorbereider’ van een bestemmingsplan) had moeten doen. De beoogde ontwikkeling bleek namelijk niet te passen in gemeentelijk en provinciaal beleid. Ook verhield zich de gewenste ontwikkeling niet goed met een nabijgelegen bedrijventerrein.

Bron: ABRvS 15 februari 2012, 201109207/1/R2


Gepubliceerd in Nieuws Wro
maandag, 13 februari 2012 09:21

Overgangsrecht in het bestemmingsplan

Op 8 februari 2012 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, inzake het overgangsrecht, de volgende uitspraak gedaan. Het betrof een nieuw bestemmingsplan waarbij een woning, welke reeds onder het overgangsrecht viel van het oude bestemmingsplan, opnieuw onder het overgangsrecht werd gebracht. 

2.3.2. Het perceel [locatie 2]/[locatie 3] heeft in het plan de bestemming "Wonen". Ingevolge artikel 14, lid 14.2, aanhef en onder a, van de planregels mag op gronden met deze bestemming binnen ieder bestemmingsvlak één vrijstaande woning worden gebouwd. Vast staat dat op het perceel reeds een vrijstaande woning aanwezig is met huisnummer [locatie 3], zodat het door [appellant sub 2] als woning gebruikte gebouw in het plan niet als zodanig is bestemd. Op grond van artikel 14, lid B I, van het voorheen geldende plan "Buitengebied 1992" gold eveneens dat per bestemmingsvlak slechts één woning was toegestaan, zodat ook in dat plan het gebouw met huisnummer [locatie 2] niet als woning was bestemd. Artikel 27, lid B, van het laatstgenoemde plan bepaalde evenwel dat het op het tijdstip van het rechtskracht verkrijgen daarvan bestaande gebruik dat met de in dat plan aangewezen bestemming in strijd was mocht worden voortgezet. Nu [appellant sub 2] ter zitting aannemelijk heeft gemaakt dat het betrokken gebouw al voor inwerkingtreding van het plan "Buitengebied 1992" als woning werd gebruikt, moet worden aangenomen dat dat gebruik was toegestaan op grond van het overgangsrecht van dat plan. Uit artikel 28, lid 28.2, van het nu voorliggende plan volgt dat het gebruik als woning thans opnieuw onder het overgangsrecht is gebracht. Het opnieuw onder het overgangsrecht brengen van dit gebruik is, gelet op het karakter van het overgangsrecht dat is gericht op beëindiging van het gebruik, in beginsel echter slechts toegestaan indien aannemelijk is dat het gebruik binnen de planperiode zal worden beëindigd. Dat [appellant sub 2] voornemens is het bestaande gebruik als woning te beëindigen is echter niet aannemelijk geworden. Evenmin is gebleken dat het gemeentebestuur voornemens is de betrokken gronden te verwerven of tot onteigening over te gaan. Nu het voorts in dit geval gaat om een reeds lang bestaande situatie en vaststaat dat het gebouw met vergunning is gebouwd, zodat tegen het gebouw als zodanig niet handhavend kan worden opgetreden, kan het besluit het gebouw aan de [locatie 2] niet als woning te bestemmen niet worden gedragen door het enkele uitgangspunt van de raad, zoals dat uit de plantoelichting kan worden afgeleid, dat toevoeging van bebouwing in het buitengebied ruimtelijk niet wenselijk is. Het bestreden besluit is derhalve op dit punt onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd.

Met dank aan Jaco de Jong van Verstoep Bouwkundigen.

Gepubliceerd in Nieuws Wro
Pagina 1 van 4